Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij om alle latere herrekening te voorkomen en eens en vooral van elkaar af te zijn, overeenkomen, dat door betaling van een overeengekomen saldo hun relatie definitief zal zijn beëindigd en dat ook de latere ontdekking van fouten in de berekening, welke tot vaststelling van dat saldo leidde, noch ook de ontdekking, dat daarbij posten zijn vergeten of dat andere posten dubbel zijn geteld eenig recht op nadere verrekening zal geven. Fixeeren zij het eindbedrag met deze bedoeling, treffen zij een overeenkomst m dien vorm, dan is alle later beroep op dwaling of onvolledigheid afgesneden. Dan is een echte schuldvernieuwing tot stand gekomen doordat in plaats van de oude schulden of vorderingen één nieuwe schuld of vordering is getreden, welks ontstaan tevens de oude vernietigt.

Dit alles is niet anders dan toegepast contractenrecht en zou juist zoo zijn, indien de wet van schuldvernieuwing niet repte. De wetgever heeft evenwel aan de schuldvernieuwing een afzonderlijke afdeeling gewijd, en daarbij niet alleen een aantal bepalingen opgenomen, die overbodig mogen heeten, omdat zij met anders zijn dan de toepassing der algemeene regelen, welke iedere overeenkomst beheerschen op een bepaald geval, hij heeft daarnaast ook een aantal bepalingen opgenomen, die alleen op schuldvernieuwingscontracten toepasselijk zijn.

§ 143. Naast de objectieve schuldvernieuwing, waarover wij'tot dusverre spraken, staat de subjectieve, n.1. die welke bestaat m wijziging, niet van den inhoud der praestatie, doch van den persoon aan wien of door wien gepraesteerd moet worden.1

Art. 1449 onderscheidt daarvan twee vormen, de z.g. expromissie en de delegatie. Bij beide vormen zijn uitteraard drie personen betrokken, doch bij de expromissie behoeven er slechts twee actief op te treden, terwijl bij delegatie alle drie moeten medewerken.

§ 144. Expromissie. Terwijl B iets schuldig is aan A,komtC met A overeen, dat hij, C, iets zal geven of doen voor A en dat

'1 Het behoeft overigens geen betoog, dat beide vormen kunnen sametiloopen en dat met wijziging in den persoon, die praesteeren zal, een verandering in de praestatie gepaard kan gaan.

Sluiten