Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B—A gaat door expromissie, die van C aan B door delegatie te niet. Men noemt deze figuur daarom vaak dubbele novatie.1 De artikelen 1454 en 1455 geven daarna enkele bijzondere voorschriften, het eerste t. a. v. de rechtsgevolgen der expromissie; art. 1455 t. a. v. de delegatie. Ieder der beide elementen, waaruit de rechtsfiguur der dubbele novatie is samengesteld, wordt dus afzonderlijk behandeld en — al heeft de wetgever in art. 1454 blijkbaar alleen aan de expromissie gedacht, welke deel uitmaakt van een dubbele novatie, wat dan ook het meest voorkomende geval is — de hier gegeven regels zullen daarom ook moeten gelden, indien men eens met een expromissie of delegatie, die op zich zelf staan, te doen heeft.

Art. 1454 bespreekt allereerst het geval, dat de nieuwe debiteur (C) na de schuldvernieuwing failleert. 2 A krijgt zijn vordering dan slechts ten deele of in 't geheel niet uitbetaald. Verhaal op B zal hij echter niet hebben. Evenmin kan hij de oude schuld B—A doen herleven. Hij heeft nu immers met C als debiteur genoegen genomen en loopt daarmede het risico, dat iedereen ten aanzien van al zijn debiteuren loopt, dat hun solvabiliteit kan verminderen. Anders ligt het echter, indien C reeds ten tijde van het aangaan der schuld C—A failliet was, doch A dit niet geweten heeft. Zou A later van dit feit kennis krijgen, dan zou hij, op grond der algemeene beginselen van ons contractenrecht, m het

1 \xt 1453 zegt, dat het ontslag door A aan B „uitdrukkelijk" moet worden verleend. M. i. is dat niet anders dan een noodelooze herhaling van het, zelf ook reeds overbodige, artikel 1451. Tenzij men, wat met gezegd is en met ons overeenkomsten recht, dat geen sacramenteele formules meer noodig acht, in strijd zou wezen, hier het gebruik van bepaalde woorden voorgeschreven zou achten. De artt. 1451 en 1453 zijn slechts waarschuwingen, welke de wetgever tot den rechter richt, om dezen er aan te herinneren, dat een afstand van recht, gelijk hier plaats zou hebben, niet dan op zeer deugdelijke gronden mag worden aangenomen. Men zie dan ook de ar*esten H. R. 24 Nov. 1893, W. 6438 en 15 Nov. 1894, W. 6580, beide beslissende, dat de wil om te noveeren ook door vermoedens mag worden bewezen.

2 Over den juisten tekst van het artikel bestaat eenig verschil, omdat de Officieele Editie van het B. W. geen rekening hield met de kennelijke bedoeling der herziening van 1833, zoodat in de O. E. aan het slot behouden zijn de woorden „openlijk bankbreukig mogt wezen of m verval van zaken mogt zijn geraakt". Zie over de beteekenis dezer uitdrukkingen en de gevolgen welke hun handhaving op de beteekenis van het artikel zou hebben, Diephuis X blz. 625 e. v. In de moderne uitgaven van het B.W. wordt, wat kennelijk een vergissing der O. E. is, stilzwijgend hersteld.

Sluiten