Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijzonder krachtens art. 1358, op grond van dwaling vernietiging van de overeenkomst C—A kunnen vorderen, waarmede de aan B verleende kwijtschelding tevens zou zijn vervallen. De samenstellers van onze wet1 hebben, hetzij niet gedacht aan deze uitwerking van art. 1358, hetzij gemeend, dat de toepassing van dat artikel niet zoo ver zou kunnen gaan. In ieder geval hebben zij, evenals de CC, het noodig gevonden, hier een andere remedie te geven, door aan A een verhaalsrecht toe te kennen tegenover B, waardoor hij van B zal mogen vorderen, datgene wat hij bij de invordering van C te kort mocht komen. 2 Hetzelfde zal het geval zijn, voegt de wet er eenigszins overbodig bij, indien zoodanig verhaalsrecht op B door A is voorbehouden. 3

Art- !455 behandelt voor het geval van delegatie de vraag, of C zich tegenover A beroepen kan op de verweermiddelen (excepties noemt de wet ze ook hier) welke hij had kunnen aanvoeren, indien B, zijn vroegere s<|chuldeischer, hem, vóór de schuldvernieuwing tot stand kwam, had aangesproken. Ook hier 4 wil de wetgever zooveel mogelijk de beide verbintenissen scheiden. Met nadruk en zonder uitzondering toe te laten wordt daarom bepaald, dat zoodanig beroep aan C niet zal toekomen. Terecht; de relatie B—C gaat A niet aan, deze weet niet eens of er tusschen B en C een rechtsband bestaat. Het al of niet te niet gaan van deze verbintenis is dus ook niet de strekking (oorzaak), van de overeenkomst C—A. 5

1 Evenmin als die van den C. C, die de bepaling aan Pothier (n°. 604) ontleenden, terwijl Pothier aan de mogelijkheid van een dwalingsactie dit geval niet dacht.

2 Blijft naast deze vordering tot vergoeding der schade, door Cs faillissement geleden, ook aan A toekomen het recht om op grond van dwaling vernietiging te vorderen ? Ik zie geen reden dat te ontkennen. Daartoe zou alléén grond bestaan, indien men de actie van art. 1454 als een bijzonderlijk geregelde dwalingsactie moest opvatten. Dat is echter noch blijkens de woorden, noch blijkens de afkomst van art. 1454, het geval.

3 Dit „verhaal" is niet het, geheel of gedeeltelijk, invorderen der oude schuld. Zou dat de bedoeling zijn, dan zou deze niet zijn te niet gegaan en zou de geheele transactie mogelijk wel een geldig contract zijn, doch geen schuldvernieuwing in den zin onzer wet inhouden. Zie Land-Lohman, blz. 441.

4 D. w. z. evenals in de art. 1454 en 1457.

5 C kan verhaal nemen op B, voegt het slot van art. 1455 aan het voorgaande toe. Bij de delegatie wordt immers ondersteld dat er bestaat: a. een overeenkomst B—C en b. eene tusschen C en A, die daarvoor in

Sluiten