Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In hoeverre C zich zou mogen beroepen op de gebreken van de verbintenis B—A is een vraag welke de expromissie raakt en reeds in § 144 is behandeld.

§ 147. De schuldvernieuwing doet de oude verbintenis te niet gaan. Vanzelfsprekend is daarvan het gevolg, dat ook zekerheden, welke ter versterking van die schuld gegeven zijn (pand, hypotheek), komen te vervallen, dat medeschuldenaren en borgen zijn bevrijd. Die grondregel wordt dan ook in de artt. 1457 en 1460 met zoovele woorden uitgesproken.

Vaak zou dit gevolg evenwel het tot stand komen van een schuldvernieuwingsovereenkomst tegenhouden. Vooral zal dit het geval zijn, indien de schuld door hypotheek verzekerd is en indien op het verbonden goed nog meer hypotheken zijn gevestigd. Ook al zou de eigenaar van dat goed, het moge de oude debiteur zelf zijn of een ander, bereid zijn ook voor de nieuwe schuld dat goed te verbinden, in het onderstelde geval zou hij dat niet kunnen doen, daar de nieuw te verleenen hypotheek opnieuw zou moeten worden ingeschreven en dus rang zou krijgen na de, automatisch opgeschoven, tweede hypotheek. Voor hypo-

de plaats treedt en waartoe B in zooverre medewerkt, dat hij C van de verbintenis B—C ontslaat. Zou C later ontdekken, dat de verbintenis B—C in werkelijkheid niet of niet meer bestond (b.v. door een derde was afbetaald), dan kan hij zich, zooals in art. 1455 blijkt, tegenover A daarop niet beroepen, doch wèl B aanspreken tot vergoeding der schade. De afkomst van art. 1455, dat in den C. C. niet voorkomt, doch quaesties behandelt, die ook te voren besproken waren vindt men, tot 1804, bij Baudrv-Barde XIII, 42 en Gomperts, blz. 47 e. v. Tusschen het tot stand komen van den CC. en het vaststellen van ons B. W. is de vraag behandeld door DeivincourT, Cours de Code Civil, V (blz. 386 van de Brusselsche editie van 1825), en TouEUER (Le droit civil francais, VII, § 291 der Brusselsche uitgave van 1824), welke beide werken door de samenstellers van ons B. W. zijn geraadpleegd. Zij maken beide bij de bespreking dezer vraag een reeds van Pothier afkomstige onderscheiding. Bestond er een verbintenis B—A, die door de overzetting van C op A is te niet gegaan, dan mag C tegenover A, zich niet op de gebreken der vordering C—B beroepen. Handelde B bij het doen der overzetting aan A ex liberalitate, dan staat zoodanig beroep aan C echter vrij. Nu dit voorbehoud algemeen werd gemaakt, doch nu daarvan in art. 1455 geen spoor te vinden is, is m. i. ook niet aan te nemen, zooals Gomperts doet, dat het nog zou gelden. Integendeel blijkt duidelijk, dat men het niet heeft willen overnemen.

Sluiten