Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 151. Men kan het denkbeeld, waarop de compensatie berust, op twee manieren uitwerken. Of wel men zegt: vanaf het oogenblik, dat er twee schulden tegelijkertijd tusschen dezelfde personen bestaan, zijn deze door compensatie beide te niet gegaan; öf wel men kiest als punt van uitgang, dat de beide schulden blijven bestaan, doch dat ieder der beide partijen, door te verklaren, dat hij aan compensatie de voorkeur geeft boven betaling, de rechtsgevolgen der compensatie in werking kan doen treden. In de eerste opvatting berust het te niet gaan der schulden rechtstreeks op de wet, in het tweede op de wilsverklaring van een der partijen.

Het practische gevolg van dit verschil van uitgangspunt zal het volgende zijn. Indien in een proces, waarin de ged. tot betaling wordt aangesproken, van het bestaan eener tegenvordering blijkt, zal de rechter, zoo hij de eerste opvatting moet volgen, ook ambtshalve moeten beslissen, dat beide vorderingen door compensatie te niet gingen. Volgens de tweede theorie zal zoodanige beslissing den rechter evenwel eerst vrijstaan, nadat de tot betaling aangesproken partij inderdaad een beroep op compensatie heeft gedaan.

§ 152. Over de vraag, welke dezer beide opvattingen behoorde te worden aanvaard, bestond reeds onder het Romeinsche Recht verschil van meening. Justinianus maakte daaraan een einde door het ipso jure compensari tot regel, te stellen. Niettemin is men sedert dien blijven twisten, hoever deze regel nu wel reikte en welke der genoemde opvattingen daarin nu eigenlijk tot uiting kwam. Van de voorstanders der opvatting, dat de compensatie van rechtswege werkt, werd de middeleeuwsche jurist Martinus de leidsman, terwijl zij, die een uitdrukkelijk beroep op compensatie noodig achtten, zich om Azo groepeerden. Tegen het einde der 18e eeuw hadden de eersten het pleit beslist gewonnen. Pothier, wiens werk en denkbeelden ook in dit opzicht den grondslag vormen van den Code Civil, koos zeer beslist partij voor het intreden der gevolgen van rechtswege, zooals voor hem ook Domat had gedaan. En zoowel art. 1290 van den CC. als ons artikel 1462 schijnen dan ook geen twijfel over te laten. Volgens het genoemde artikel van ons wetboek toch heeft „compensatie van regtswege plaats, zelfs buiten weten der schuldenaren,

Sluiten