Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— niet uitgesproken — algemeen beginsel, volgens hetwelk dan ook de niet geregelde gevallen dienen te worden beslist, dan wel als uitzonderingen op den in art. 1462 gestelden regel, die steeds blijft gelden en om toepassing vraagt, indien niet een bijzondere bepaling hem ter zijde stelt. Het verlaten van den in art. 1462 gelegden grondslag zou slechts geoorloofd kunnen zijn, indien de volgende artikelen een volledig en aaneensluitend systeem te zien gaven, dat, loyaal toegepast, feitelijk op een verloochening, door den wetgever, van zijn eigen pertinente beginselverklaring bleek uit te loopen. Daarvan is echter geen sprake.1

§ 153. Men zal dus art. 1462 inderdaad als het beginsel van de regeling onzer wet moeten erkennen en als uitgangspunt moeten nemen bij de beslissing van ieder, in de wet niet anders geregeld, geval. Er is geen enkele wetsbepaling, welke ons in het algemeen dwingt het zoo duidelijk uitgesproken beginsel niet toe te passen, waar toepassing mogelijk is. Ook indien dus de gedaagde niet aan compensatie blijkt te hebben gedacht, zal toch de rechter, die immers de rechtsgronden moet aanvullen (art. 48 Rv.), aan het gelijktijdig bestaan van een vordering en een, eveneens opeischbare, tegenvordering de consequenties moeten verbinden, die de wet nu eenmaal aan dit feit vastknoopt. 2

' Men overdrijve trouwens het rechtstreeksche belang der besproken vraag niet. Ook de strengste aanhanger van het ipso jure compensari, kan met het tenietgaan eener vordering door compensatie niet rekening houden, indien de partijen van het bestaan eener tegenvordering geen melding maken. Uiteraard zal dat meestal door den tot betaling aangesprokene geschieden en met het doel aan te toonen, dat hij niets meer schuldig is. Het practische verschil tusschen toepassing van de eene en van de andere theorie zal dus in de meeste gevallen hierop neerkomen of bepaaldelijk blijken moet, dat de ged. het beroep op het bestaan van die tegenvordering met de bovengenoemde bedoeling heeft gedaan.

Voor hen, die het doen van een beroep op compensatie noodig achten, zal de vraag dus zijn, of men zoo'n beroep in gedaagde's conclusies mag lezen. Bepaalde woorden zijn zeker niet vereischt. Hoogst zeldzaam zullen dus wel de gevallen zijn, waarin de rechter, die een „beroep" op compensatie meent te moeten eischen, zal moeten constateeren, dat het beroep niet gedaan is. Intusschen zij komen voor.

Van meer belang is het indirecte belang. Het op de besproken vraag te geven antwoord zal van invloed zijn op de uitlegging, welke men aan sommige andere bepalingen dezer afdeeling geeft. Zie t. a. v. art. 1470 § 167; en t. a. v. art. 1467 § 168, over art. 1471 § 170.

2 Men leest soms — zoo bij Hofmann (blz. 354 noot 1) — dat de H. R.

Sluiten