Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vordering heeft, welke in het privaatrecht of eene, die in het publiekrecht wortelt, van te niet gaan dezer schulden door compensatie kan geen sprake zijn. Met zoovele woorden staat dat nergens geschreven. Doch ten eerste staat vast, dat dat alleen daarom niet in de wet staat, omdat men een dergelijke bepaling geheel overbodig achtte.1 En voorts bevat de Invordermgswet2 een geheel zelfstandige regeling voor het te niet gaan van belastingschulden. Zij bevat eigen regels voor betaling, verjaring en kwijtschelding, doch compensatie kent zij niet als wijze van te niet gaan. De Hooge Raad ontzegt dan ook, hoewel ten deele op andere gronden, aan een beroep op compensatie in dergelijke geyallen alle kracht. 3

Zoolang de Staat der Nederlanden en zijne onderdeden als honorabele en solvabele debiteuren mogen worden beschouwd, zouden de onderdanen ook weinig belang hebben bij een andere regeling. Hun eenig belang is dan vermijding van omslag, een belang, dat zeker niet opweegt tegen de groote vermeerdering van omslag, welke voor de openbare administratie zou voortvloeien uit toelating der compensatie.^

De argumenten, hierboven ontleend aan de Invorderingswet, gelden, — daarop vestig ik ten slotte de aandacht — niet voor belastingen, waarop deze wet niet toepasselijk is. T. a. v. invoer-

1 Zie Opzoomer, VII, blz. 221—223.

2 Wet van 22 Mei 1845, S. 22 op de invordering van 's Rijks directe belastingen.

3 H. R. 11 April 1924, W. 11285; N. J. 1924, 646. De beslissing gold de mogelijkheid van compensatie van twee, beide in het publiekrecht wortelende vorderingen. Zeker zal zij dus ook gelden, indien tegenover een publiekrechtelijke een privaatrechtelijke vordering staat. Zie over deze beslissing Mr. H. Vos in W. P. N. R. 2855.

1 Inconsequent en onrechtvaardig is echter, dat de Staat zich van dezen regel der niet-compensabiliteit niets aantrekt, zoodra het omgekeerde aan de administratie beter uitkomt. Zie het geval door Mr. Vos in W. P. N. R. 2855 vermeld. Op een krachtens de wet door den Staat aan een gemeentebestuur verschuldigde uitkeering, werd, met een beroep op compensatie, ingehouden een bedrag, dat een ander departement van dat gemeentebestuur beweerde te vorderen te hebben wegens verpleegkosten van een krankzinnige, en dat nog wel, terwijl de verplichting tot betalen van de gemeente betwistbaar was en art. 31 der Krankzinnigenwet een afzonderlijke procedure voor het verhaal van zulke vorderingen voorschrijft.

Men vergelijke ook hier art. 116 der ambtenarenwet, waardoor tegenover den ambtenaar compensatie niet alleen wordt toegestaan, doch zelfs uitgebreid tot gevallen, waarin het B. W. zulks niet mogelijk acht.

Sluiten