Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over zullen zwijgen. Evenmin heeft veel praktische beteekenis de uitzondering op den eisch der gelijksoortigheid, welke in het tweede lid van art. 1463 wordt gemaakt. Geldschulden, zoo heet het daar, kunnen worden in vergelijking gebracht met granen en levensmiddelen, welker waarde volgens prijscouranten bepaald is. Dat beteekent vermoedelijk, dat deze granen enz. moeten zijn verhandeld op een markt, waar de gemiddelde marktprijzen, waartegen transacties tot stand komen, regelmatig in, min of meer officieel opgemaakte, prijscouranten worden gepubliceerd 1. Evenwel zal men ook de beperking dienen te maken, dat de beide schulden niet uit dezelfde wederkeerige overeenkomst zijn ontstaan. Anders zou de verkooper van deze artikelen zijn verplichting tot levering steeds in een compensabele geldschuld kunnen omzetten. De overeenkomst zou dan tot een beursspel worden gemaakt, dat alleen tot prijsverrekening aanleiding zou geven.2

§ 159. Opeischbaarheid en liquiditeit. Dat de vorderingen elkander eerst dan doen wegvallen, wanneer beide opeischbaar zijn, is geen wonder. Eerst dan zou een wezenlijke betaling moeten plaats hebben en eerst op dat oogenblik kan er dus sprake zijn van een betaling met gesloten beurs. Zoolang een (opschortende) voorwaarde nog niet is vervuld of een tijdsbepaling nog niet is verschenen 3, blijft een vordering buiten beschouwing. 4

1 Op grond van de geschiedenis der bepaling mag men dit als hare beteekenis onderstellen. Zie rb. Amsterdam 13 April 1922, W. 10938.

2 Zie Diephuis X, blz. 743 e. v., waar er ook op gewezen wordt, dat de in art. 14632 toegelaten compensatie zeker niet ipso jure kan werken. Dat blijkt ook uit het woord „kunnen", in de wet gebruikt. Artikel 14632 heet een bedenksel te zijn van de ontwerpers van den C. C. Vermoedelijk waren de ontwerpers echter minder origineel, dan men meent e ■ ontleenden zij de bepaling aan de oud-Fransche rechtspractijk. Zie Merein, Répertoire II blz. 637, onder „compensation"len Denisart, Collection de décisions I, blz. 560 n°. 8 (uitgave van 1771).

3 Zie echter art. 1464, dat bepaalt, dat een door den crediteur verleend betalingsuitstel niet belet, dat de vordering door compensatie te niet gaat, indien inmiddels een opeischbare tegenvordering ontstaat. Een andere beslissing zou aan het verkenen van een betalingsuitstel gevolgen verbinden, waaraan de partijen in den regel niet zullen hebben gedacht. Wellicht zou men daardoor ook menig crediteur weerhouden van het bewijzen van een welwillendheid, waartoe hij thans bereid is.

4 Over de mogelijkheid, dat degeen, in wiens voordeel de tijdsbepaling is gemaakt, van dit recht afstand doet om de schuld opeischbaar te maken en dan tevens door compensatie te doen te niet gaan, zie men hieronder § tfl.

Sluiten