Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verschil van meening bestaat echter over den, eveneens door art. 1463 gestelden, eisch, dat de beide schulden voor dadelijke vereffening vatbaar moeten zijn, of, zooals men ook wel zegt, „liquide" moeten zijn. Het is een eisch, welke gesteld wordt naast die der opeischbaarheid. Zeker zal er dus mede bedoeld zijn, dat ook het bedrag of de omvang van beide schulden een zekere mate van bepaaldheid moet hebben. Dat is dan ook algemeen erkend. Verschil van meening bestaat echter over de mate van bepaaldheid, welke door de wet wordt gevorderd 1.

In ieder geval zijn niet liquide de schulden, welker bedrag, ook volgens de meening der beide partijen, nog niet vaststaat. Indien b.v. door A aan B een zekere schadevergoeding is verschuldigd, welker bedrag door C zal worden vastgesteld, dan kunnen, zoolang C nog niet gesproken heeft, noch A noch B zeggen, hoe groot die vergoeding zal zijn. 2 De vordering is, zooals men zegt, materieel illiquide. Niet veel anders staat het met schulden* die bestaan uit een saldo, dat nog moet worden vastgesteld. De elementen, waaruit de berekening zal zijn samengesteld, staan mogelijk vast, doch ook dan weet nog niemand precies, tot welk eindcijfer men zal komen. Zulke vorderingen moeten eerst „vereffend" — d. i. nader bepaald — worden en zullen dus, zoolang dat niet geschied is, ook niet een andere bij wijze van compensatie doen te niet gaan. Een andere beslissing zou tot gevolg hebben, dat iemand, die een schuld opvordert, over welks omvang en opeischbaarheid geenerlei geschil bestaat, mogelijk toch jaren op een executorialen titel zou moeten wachten, indien zijn tegenpartij zich beriep op compensatie door een vordering, welks omvang nog niet vaststaat en slechts na langen tijd zal komen vast te staan.

Dezelfde ongewenschte gevolgen zouden zich voordoen, indien men den ged. toestond zich te beroepen op een tegenvordering, welks bedrag, althans volgens zijn stellingen, wel vaststaat, doch

1 Zie over deze vraag vooral het reeds meer genoemde opstel van Koksma.

2 Nauw aan dit voorbeeld verwant is ook de uitkeering tot levensonderhoud, welks bedrag door den rechter wordt bepaald in verband met de behoefte der eene partij en met het inkomen en vermogen van de andere, terwijl ook nog rekening moet worden gehouden met den omvang van het gezin des gedaagden enz. Ook hier kan, voor de rechter gesproken heeft, niemand zeggen hoe hoog de uitkeering eigenlijk is.

Sluiten