Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenning der mogelijkheid, dat inderdaad de compensatie zijn vernietigende werking kan hebben uitgeoefend. Kan zonder veel moeite het bestaan der tegenvordering worden bewezen, dan pleegt men den gedaagde daartoe ook de gelegenheid te geven. Zoodoende maakt men in gevallen, waarin het oponthoud in ieder geval niet groot schijnt te zullen zijn, een beroep op compensatie mogelijk.1

Belangrijk is eindelijk de beslissing uit een recent arrest2, dat de juiste omvang van de tegenvordering niet behoeft vast te staan en ook niet behoeft te worden vastgesteld, mits maar blijkt, dat zij grooter is dan de vordering, waartegen zij in compensatie wordt gebracht.

§ 161. Men heeft tegen de beslissingen, welke naast den eisch der materieele ook den eisch der processueele liquiditeit stellen, het bezwaar geopperd, dat zij te kort deed aan den eisch van het ipso jure compensari, in art. 1462 uitgesproken. 3 Immers, ook de processueel niet-liquide vordering bestaat en heeft dus krachtens art. 1462 de andere van rechtswege doen te niet gaan. Door den ged. een beroep op die omstandigheid te onthouden, verlamt men door processueele middelen het materieele recht. In deze kritiek steekt een kern van waarheid. Indien men het in art. 1462 uitgesproken denkbeeld tot in zijn uiterste consequenties wilde doorvoeren, zou men een beroep op compensatie, ook ingeval de tegenvordering processueel illiquide is, moeten toelaten. Doch zou een zoo „rücksichtslose" doorvoering van het beginsel er niet eveneens toe moeten leiden vele materieel illiquide vorderingen compensabel te achten? 4 En in ieder geval gaat men te ver

'Zie het arrest H. R. 26 Januari 1922, W. 10887; N. J. 1922, 381. Indien de H. R. een beroep op compensatie niet toelaat, doet hij in de omschrijving der bezwaren dan ook steeds uitkomen, dat deze uit meer bestaan, dan uit het enkele feit, dat eenige bewijsvoering noodig is. Zie het arrest van 2 Jan. 1925, W. 12425; N. J. 1925, 345 (een „uitgebreide bewijslevering" is een beletsel), dat van 20 Mei 1921, W. 10769; X. J. 1921, 791 (beroep op compensatie niet mogelijk, daar tot bewijs noodig zou zijn „een getuigenbewijs, wellicht nog te volgen door een onderzoek door deskundigen"), ook nog dat van 4 Dec. 1924, W. 11342; N. J. 1925, 274.

2 Arrest H. R. 12 Juni 1931, W. 12319; N. J. 1931, 1345.

3 Dit is de kern van Koksma's betoog.

4 De grens tusschen materieele en processueele liquiditeit is niet scherp. Als gevolg daarvan vindt men vorderingen, die uit een nog vast te stellen

Sluiten