Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door te meenen, dat de wetgever, die door practische overwegingen geleid het algemeene beginsel, dat zijn uitgangspunt vormde, voor een bepaald geval buiten toepassing laat, daardoor dit beginsel overboord zou zetten.1 De vrees voor processueele chicanes woog hier zwaarder dan de voldoening, welke strenge doorvoering van een beginsel verschaft. Een beperking werd dus aangebracht, maar meer ook niet. De grondslagen en de werkingsfeer der compensatie zijn omschreven in de artt. 1462 en 1463 te zamen.

Tusschen welke personen vindt compensatie plaats ?

§ 162. Dat slechts schulden, tusschen dezelfde personen bestaande, elkaar door compensatie doen te niet gaan, staat met zoovele woorden in art. 1461 geschreven. Het is trouwens vanzelfsprekend. De primaire strekking der compensatie is en blijft immers het voorkomen van onnoodige betalingen.

Daarom neemt men, terecht, ook algemeen aan, dat de compensatie hare werking slechts kan uitoefenen, indien die personen tevens in dezelfde qualiteit optreden.

Indien A, voogd van B, uit eigen hoofde, geld schuldig is aan C, zal deze vordering van C niet te niet gaan, indien C eenzelfde bedrag aan den pupil B schuldig is. Ook al zal de invordering dier laatste schuld ook door A, als voogd, geschieden, zoodat letterlijk genomen beide transacties door dezelfde personen, A en C, zullen worden afgewikkeld. Zou men in zoo'n geval compensatie wèl toelaten, dan zou immers toch weer een verrekening tusschen Aen B moeten plaats hebben, zoodat het doel der compensatie, vermijding van onnoodige betalingen, zou worden gemist.2

Hetzelfde beginsel leidt er toe compensatie uitgesloten te

saldo bestaan, door den eenen auteur als materieel, door anderen als processueel illiquide beschouwd. Zie b.v. Koksma eenerzijds, en van Goudoever, Feestbundel Justitia et Amicitia 1910, blz. 178 aan den anderen kant. ,

1 Zooals Koksma beweert en ook b.v. Bybau en HoifFMANN meenen.

2 Andere voorbeelden van dit denkbeeld zijn o. a.: de privéschuld van den directeur eener N.V. gaat niet door compensatie te niet, als de N.V. een vordering op den crediteur van den directeur heeft. Evenmin kan men betaling aan de N.V. weigeren, omdat men een vordering van gelijk bedrag op den directeur heeft.

Sluiten