Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achten, indien het vermogen van een der partijen uit meer dan één boedel bestaat, zoodat niet alle schulden op het geheele vermogen verhaald kunnen worden. Behoort de vordering niet tot den boedel, waarop de schuld kan worden verhaald, dan is compensatie uitgesloten. Anders zou immers later weer een verrekening tusschen de beide boedels noodig zijn. Dit geval zal zich b.v. voordoen bij beneficiaire aanvaarding eener nalatenschap. Een vordering, welke de erfgenaam heeft, wordt niet gecompenseerd door een vordering, welke de debiteur op den beneficiair aanvaarden boedel heeft.

Ook compensatie van vorderingen eener vennootschap onder firma met de privéschulcteri van een der vennooten acht men op gelijksoortige overwegingen uitgesloten. 1

§ 163. De tot dusverre uiteengezette beginselen, die aan de compensatie ten grondslag liggen, worden nu in de andere artikelen der vierde afdeeling uitgewerkt. Dat uitstel van betaling aan de compensatie haar werking niet beneemt, werd reeds opgemerkt (zie § 158 noot 1). Evenmin is dat het geval met plaatsverschil. Zijn de schulden niet op dezelfde plaats betaalbaar, dan moeten de kosten van overmaking worden vergoed (art. 146$). 2 Het kan ook voorkomen, dat tegenover één schuld meer dan een tegenvordering staat, wier gezamenlijk bedrag dat der schuld overtreft. Welke dier tegenvorderingen zullen dan geheel of ten deele te nietgaan? De wet verwijst voor dat geval in art. 146^ naar de regels voor de toerekening van betalingen. 3

Een verdere uitwerking geeft art. 1466 t. a. v. hoofdelijke schulden en schulden door borgtocht verzekerd. De borg moet de schuld van den debiteur betalen. Bestaat deze niet meer, omdat zij, door compensatie of op andere wijze, is te niet gegaan, dan is aan de borgtochtovereenkomst haar „oorzaak" (i. c. het doen te niet gaan van de hoofdschuld) ontvallen en is daarmede ook de borgtocht beëindigd. Het is slechts de toepassing van deze, aan de algemeene beginselen van ons overeenkomstenrecht ont-

1 Moeengraaff, Leidraad blz. 231. Men houde bij deze gevolgtrekking echter in het oog, dat daaraan mede ten grondslag ligt een bepaalde opvatting aangaande de beteekenis van het afgescheiden vermogen dier vennootschap. Zie daarover Moeengraaff, Leidraad blz. 229.

2 Zie hierover nader § 172.

3 Zie hiervóór § 125.

Sluiten