Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leende, gedachte, als de wet in art. 1466 den borg toestaat zich op het te-niet-gegaan-zijn der hoofdschuld door compensatie te beroepen.1 Doch dezelfde beginselen leiden er toe om, zooals de wet dan ook in hetzelfde artikel doet, anders te beslissen, indien de hoofdschuldenaar zou willen beweren, dat hij niet behoeft te betalen, omdat de borg een tegenvordering op den crediteur heeft verkregen. De schuld van den hoofdschuldenaar is immers van het bestaan der borgtocht niet afhankelijk en het eventueel wegvallen van deze borgtocht — op welke wijze dan ook — oefent op het bestaan van de schuld des hoofdschuldenaars geen invloed uit.2 Ook als art. 1466 niet bestond, zou, wat thans in het eerste lid staat, toch waar zijn. Dat men het noodig vond dit hier uit te spreken, is slechts het gevolg van een juridisch gezichtsbedrog, dat tot de meening leidde, dat de borg tot eigen bevrijding een tegenvordering van een ander in vergelijking „brengt". Ten onrechte. De borg beroept er zich hier niet op, dat zijn schuld door compensatie te niet is gegaan, doch op het feit, dat zij geen oorzaak meer heeft, omdat de hoofdvordering door schuldvergelijking is verdwenen.

§ 164. Het tweede lid van art. 1466 handelt over de hoofdelijk verbonden medeschuldenaren. 3 Ware daaromtrent niets bepaald, dan zouden zij in dezelfde positie staan als de borg. Indien een hunner een tegenvordering op den crediteur kreeg, zou dit zijn

1 De H. R. schijnt dit in het arrest van 9 Januari 1931, W. 12256; N. J. 1931, 378 — met belangrijke noot van MEYERS — anders in te zien en acht dit voorschrift van art. 1466 een afwijking van den regel, dat compensatie slechts tusschen dezelfde personen werkt. M. i. gaat evenwel de in dit artikel besproken vraag eigenlijk buiten de compensatie om, of, beter gezegd, is het een vraag, welke zich bij compensatie even goed en in denzelfden vorm als bij andere wijzen van te niet gaan eener verbintenis kan voordoen en waarbij de door den H. R. genoemde regel dus geen rol speelt.

2 De schuld van den borg zal trouwens nog niet door compensatie te niet gaan, alleen omdat de borg een tegenvordering heeft. Zijn eigen schuld is immers een voorwaardelijke. Het oogenblik, waarop de schulden elkaar vernietigen, breekt eerst aan, indien de voorwaarde vervuld is. Te voren betalende, betaalt hij eens anders schuld, doch voldoet hij, naar ik meen, niet zijn eigen verbintenis uit borgtocht. Op de vraag of dit alles ook geldt bij den „zelfschuldigen borg" vindt men het antwoord in art. 14662.

3 De hoofdelijkheid zal in het tweede stuk van dit werk Worden behandeld. De wet definieert en regelt haar in de artt. 1314—1331.

Sluiten