Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuld aan den crediteur van rechtswege door compensatie te niet doen gaan en zou ieder zijner hoofdelijke mede-debiteuren, die aangesproken werd tot voldoening, zich op dat feit kunnen beroepen, even goed als wanneer zijn mede-debiteur had betaald. De wet bepaalt echter juist het tegendeel en zegt, dat de mededebiteur niet in vergelijking mag brengen hetgeen de crediteur aan zijn mededebiteur schuldig is. Welke ook de motieven zijn geweest, die tot deze bepaling hebben geleid \ het schijnt mij gelukkig, dat zij is opgenomen, omdat zij den crediteur beschermt tegen debat over hetgeen hij mogelijk schuldig is aan den mededebiteur van dengene, dien hij aansprak. Hij zal veelal juist hebben geëischt, dat zijn debiteuren zich hoofdelijk zouden verbinden, om dientengevolge ieder hunner als zijn eenigen debiteur te kunnen aanspreken.

Ongetwijfeld is deze bepaling in strijd met het ipso jure compensari2. Doch ik acht deze inconsequentie practisch en nuttig. En — ik wil er nog eens op wijzen — al wordt nu op dit beginsel een, trouwens gerechtvaardigde, inbreuk gemaakt, daarom mag men nog niet zeggen, dat het beginsel tot een doode letter is gemaakt of feitelijk geheel is verlaten.

§ 165. De dood van een der partijen doet diens erfgenamen in zijn plaats treden. Heeft de erflater een schuld aan een derde

1 De vraag was ook vóór den C. C. reeds bekend en behandeld. DomaT had geadviseerd — om verrekening tusschen de debiteuren te voorkomen — dat de aangesproken debiteur een beroep op compensatie zou kunnen doen tot het bedrag, dat hij aan den mededebiteur zou hebben te vergoeden, indien deze laatste zelf door zijn beroep op compensatie de schuld had doen te niet gaan. Pothier (Obligations § 274) had zich met deze regeling vereenigd, hoewel aarzelend. Toen nu in het ontwerp van den C. C. dit geval ongeregeld bleef (LocrÉ XII, blz. 118) was het tribunaat, waaraan het ontwerp om advies werd gezonden, blijkbaar bevreesd, dat de praktijk de oplossing van Domat en Pothier zou blijven volgen en stelde het daarom een bepaling voor als in art. 14662 voorkomt. Terecht. Want al schijnt het tribunaat vooral aan de belangen van den mededebiteur te hebben gedacht — een argument dat niet zeer sterk schijnt, omdat deze nu eenmaal met den aangesproken debiteur zich verbonden heeft — de regeling van Domat-PoThier had ongetwijfeld een groot nadeel. Zij dwong den crediteur zich in te laten met de onderlinge verhouding van de mede-debiteuren. Juist om daar buiten te blijven had hij echter de hoofdelijkheid bedongen.

2 Zooals door Koksma (blz. 249) en Bybau (blz. 42-e.v.) duidelijk wordt, uiteengezet.

v. Brakel, Verbintenissenrecht. 14

Sluiten