Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na beslag) gaven zij een meer algemeene strekking door te bepalen, dat compensatie niet intreedt, indien daardoor een „verkregen recht" van een derde zou worden geschonden. Het is best mogelijk, dat de ontwerpers van den C. C. zich van het verband tusschen de beide artikelen niet of nauwelijks bewust waren. Maar desondanks bestaat tusschen beide bepalingen een innerlijk verband, gelegen in de vraag, welke zij — art. 1470 meer in het algemeen, art. 1467 voor een bijzonder geval - - trachten te beantwoorden 1. Een ontleding van den inhoud der artikelen toont dit aan. Art. 1479 zegt in het algemeen, in hoeverre derden een beroep op schuldvergelijking hebben te duchten. Hebben zij een verkregen recht, dan zijn zij veilig. Wie derden zijn, in den zin van dit artikel, blijkt uit het in het tweede lid gegeven voorbeeld Als type der hier bedoelde derden geldt voor den wetgever de beslaglegger2. Onder derde is hier3 dus te verstaan ieder ander dan de partijen en hun rechtsopvolgers onder algemeenen titel. Het ruime begrip van derden, dat art. 1470 blijkt te huldigen, omvat dan ook mede den cessionaris en den pandhouder. Daaruit volgt dan, dat art. 1467, dat de positie van den cessionaris afzonderlijk regelt, een uitzondering is op den algemeenen regel van art. 1470.

1 De H. R. heeft in zijn nader te bespreken arrest van 7 Februari 1929, W. H957. N- J- 1929, 885, deze verhouding tusschen de beide artikelen ontkend. Ben cessionaris is geen „derde", zegt de H. R., omdat er na cessie slechts twee partijen zijn. Daarbij ziet de H. R. echter over het hoofd, dat de cessionaris in art. 1467 uitdrukkelijk als derde wordt aangeduid. Trouwens bewijst het argument van den H. R. niet te veel ? Zou men dan ook niet kunnen zeggen, dat de in art. 1470 genoemde beslaglegger niet een derde is ? Immers ook deze treedt in de plaats van dengene op wiens vordering beslag is gelegd. Degene, onder wien het beslag gelegd is, mag daarna niet meer aan den vroegeren crediteur en moet daarentegen aan den beslaglegger betalen.

2 Indien A en B over en weer eikaars schuldeischer zijn, wordt ondersteld, dat C, die een vordering op A heeft, onder B beslag legt op wat deze aan A schuldig is.

3 De uitdrukking „derde" duidt in onze wet groepen van zeer uiteenloopenden omvang aan. Wel kan men zeggen dat de handelende personen zelf er nimmer onder vallen. Doch overigens zal men t. a. v. ieder wetsvoorschrift op zich zelf moeten nagaan, wie de wet op het oog heeft als zij van derden spreekt. In art. 1907 acht men onder rechtverkrijgenden ook die onder bijzonderen titel begrepen, in art. 1917 worden zij juist als derden aangeduid. Wie in de artt. 1470 en 1467 derden zijn blijkt gelukkig uit die artikelen zelf.

Sluiten