Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 167. Zien wij eerst wat de algemeene regel van art. 1470 inhoudt. De debiteur-crediteur, onder wien door een derde beslag wordt gelegd, kan zich daarna „niet meer ten nadeele van den inbeslagnemer van de schuldvergelijking bedienen". Men kan deze uitdrukking in tweeërlei zin opvatten. Kan hij, onder wien beslag gelegd is, ook niet meer aan den beslaglegger tegenwerpen, dat die schuld, waarop een beslag zou rusten, reeds te voren was te niet gegaan, omdat daartegenover een eveneens opvorderbare tegenvordering had gestaan? Hier zien wij nu een geval, waarin het een groot verschil zal maken, of men met den regel van het ipso jure compensari ernst wil maken, dan wel of men een beroep op compensatie noodig acht om deze te doen intreden. Volgt men de eerste opvatting, die, naar ik uiteenzette ook die is van onze wet, dan zijn, de schulden, indien zij vóór het beslag werd gelegd beide opvorderbaar waren, ook op het oogenblik van het beslag reeds te niet gegaan. De beslaglegger heeft dan getracht beslag te leggen, doch niets gevonden, wat door dat beslag kon worden getroffen. Alleen indien een der schulden (of beide) nog niet compensabel waren, treft zijn beslag doel. Hij heeft dan iets verkregen, wat reëele waarde heeft. De schuld, waarop beslag gelegd wordt, moet aan hem, en niet aan den oorspronkelijken crediteur worden uitbetaald. En art. 1470 vervult dan deze functie, dat het den beslaglegger beveiligt tegen de gevolgen eener compensatie, welke tengevolge zou hebben, dat de betaling, welke aan hem moet geschieden, hem niettemin zou ontgaan.

Anders is het echter, indien men meent, dat een der beide partijen, welke over en weer eikaars schuldenaren zijn, zich op de compensatie moet hebben beroepen, om hare gevolgen te doen intreden.

Dan zal men, indien op een dier schulden beslag wordt gelegd en indien beide reeds te voren opvorderbaar waren, moeten vragen of zoodanig beroep reeds te voren gedaan is. Blijkt daarvan niet, dan zal het beslag ook die schulden van hem, onder wien beslag is gelegd, vernagelen, welke volgens de eerstbedoelde theorie reeds te niet waren gegaan en door geen beslag meer konden worden getroffen.

Aangezien er nu, naar ik reeds meer dan eens betoogde, geen reden is om het duidelijke voorschrift van art. 1462 te verlooche-

Sluiten