Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen, schijnt het mij ook zeker, dat de eerste dezer beide opvattingen aangaande den invloed van het beslag dient te worden gehuldigd. Een schuld, die reeds te niet is gegaan, door betaling of op andere wijze, kan niet meer worden in beslag genomen. Zoo oordeelt dan ook de Hooge Raad.1

Bij verpanding van een vordering zal hetzelfde gelden. 2

§ 168. Ware aangaande cessie niets bijzonders bepaald, dan zou ook daarop eenvoudig de regel van art. 1470 worden toegepast en zou dus eveneens moeten worden aangenomen, dat cessie van een (opeischbare) vordering, waartegenover een tegenvordering stond, die vóór de cessie ook opvorderbaar was, geenerlei effect zou hebben, omdat dan een niet meer bestaande vordering ware gecedeerd. Doch nooit zou een vordering, die na de cessie opeischbaar en liquide werd, hetzij zelf door compensatie te niet kunnen gaan of een andere kunnen te niet doen gaan. Van de aldus door art. 1470 getrokken lijn wijkt art. 1467 evenwel in twee opzichten af. Heeft de debitor cessus zonder voorbehoud in de cessie toegestemd, dan mag hij daarna ook niet meer beweren, dat vóór de beteekening de schuld reeds door compensatie was vernietigd. Hij heeft — al dan niet uitdrukkelijk — het bestaan der gecedeerde vordering erkend. De cessionaris mag hem aan zijn woord houden. 3

1 Zie de, elkander aanvullende, arresten van 22 Maart 1918 W 10266 N J. 1918, 486, van 30 October 1919, W. 10509, N. J. I9I9>' „56 en van 10 Mei 1929, W. 11986, N. J. 1929, 1378. In het arrest van 5 Nov 1914 W. 9756, N. J. 1915, 9, liet de H. R. zelfs compensatie toe ten voordeelé van hem, onder wien beslag was gelegd, terwijl diens tegenvordering nog met opeischbaar was. Dit acht ik in strijd met art. 1470 evenals de Proc.-Gen. m diens aan dat arrest voorafgaande conclusie Zie over deze vraag ook de praeadviezen van Parser (blz. 86) en COHEN (blz «1 uitgebracht aan de Ned. Jur. Ver. 1932.

2 Zoo ook H. R. 30 Oct. 1919, W. 10509, N. J. 1919, 1156 W P N R 2619 met noot Meyers. ' • • •

Dat verpanding van een vordering onder art. 1470 valt, was bij het tot stand komen der wet ook de meening van Daam Fockema (zie Noordziek 1824-25 II, blz. 470 ad art. 54 van titel IV)

Men kan deze erkenning mogelijk ook opvatten als een afstand van het door de compensatie verkregen recht. Zie over de mogelijkheid van dergelijke afstand hierna § 170.

Hoe gaat het met de borgtochten en andere door derden gestelde zekerheden, verbonden aan de erkende schuld? Zouden die blijven be-

Sluiten