Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tweede afwijking van de in art. i470gegeven regel, welke art. 1467 brengt, geldt voor het geval de cessie niet „zuiver en eenvoudig" is erkend, doch alleen maar aan den gecedeerden debiteur is beteekend. Dan blijft compensatie mogelijk ook tusschen schulden, die op het oogenblik der cessie nog niet beide aan alle vereischten voor compensatie voldeden, mits de schulden vóór de cessie zijn „aangegaan", d. w. z. voortspruiten uit handelingen ypn/yfa de cessie verricht. Uitgesloten is dan alleen compensatie tusschen de gecedeerde schuld en schulden, welke voortspruiten uit na de cessie verrichte handelingen.

De Hooge Raad ontkende deze laatste gevolgtrekking echter 1 en achtte geenerlei compensatie meer mogelijk, indien op het oogenblik der cessie een derbeide vorderingen niet aan alle compensatie-eischen voldeed. Ware dat juist, dan zou niet duidelijk zijn waartoe art. 14672 eigenlijk diende. Het zou dan slechts hetzelfde zeggen, wat uit art. 1470 volgt. De opvatting van den Hoogen Raad schijnt zelfs in strijd met de uitdrukkelijke woorden van art. 14672, dat immers slechts onmogelijk verklaart compensatie met een schuld na cessie „aangegaan." 2 Nu kan men zeker de vraag stellen of er reden is den cessionaris in een ongunstiger positie te brengen dan den beslaglegger, doch deze vraag betreft eerder het jus constituendum dan het jus constitutum. De historisch verschillende oorsprong van de beide artikelen heeft nu eenmaal tot deze verschillende behandeling geleid.

staan, ook indien de beide vorderingen te voren reeds aan de vereischten van 1463 voldeden en dus ex art. 1462 waren te niet gegaan ? Het is moeilijk aan te nemen. De erkenning zou dan die derden, die reeds ontslagen waren opnieuw binden. In dien zin is in het analoge geval van art. 1471 ook bepaald. Zie in dien zin ook Diephuis X, blz. 768. Zie verder over de afstand van compensatie ex art. 1471 § 170.

1 Arrest van 7 Februari 1929, W. ii957> N- J- T929, 885. Een overweging, die deze beslissing reeds aankondigde vindt men in het, op art. 1470 betrekking hebbende arrest van 30 Oct. 1919, W. 10509, N. J. 1919, 1156 (vóórlaatste overweging).

2 De H. R. zegt, dat art. 14672 onaangetast laat de vereischten voor compensatie, in art. 1463 neergelegd, dus ook den eisch blijft stellen, dat de personen dezelfde zijn, hetgeen, volgens den H. R., na cessie niet meer het geval is. Als dat zoo zou zijn, begrijpt men nog minder, wat art. 14672 eigenlijk in de wet doet. Men had dan van het geval, dat een cessie plaats vond, waarin niet uitdrukkelijk is toegestemd door den debiteur, eenvoudig kunnen zwijgen. Ook art. 1470 ware dan geheel overbodig.

Sluiten