Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van allen, dan wel alleen ten gunste van bepaalde personen? Dat was het daar gebruikte criterium. Een geheel andere vraag is het, of de nietigheid van rechtswege bestaat, dan wel of eerst door den rechter moet zijn geconstateerd, dat een bepaalde handeling (absoluut of relatief) nietig is, zal hij, te wiens gunste zij werkt, op die nietigheid een beroep mogen doen.1 Ook deze laatste omstandigheid kan men natuurlijk tot criterium nemen. Dan komt men tot een indeeling: nietig van rechtswege — vernietigbaar. Met de onderscheiding absoluut-relatief heeft zij niet te maken. De beide scheidingslijnen gaan dwars door elkaar heen. Onder de nietigheden, welke van rechtswege bestaan, zal men dan waarschijnlijk zoowel absoluut als relatieve aantreffen..2 Hetzelfde kan het geval zijn bij die nietigheden, waarop men zich eerst kan beroepen, nadat de rechter hun bestaan heeft geconstateerd3. Het is van deze laatste tegenstelling, de tegenstelling dus nietig-vernietigbaar, dat de praktijk veelal uitgaat. Het geeft echter verwarring,

1 Natuurlijk kan de rechter ook wel geroepen worden tot een oordeel over de vraag of een van rechtswege nietige handeling al dan niet terecht zoo wordt beschouwd. Zoo b.v. indien tegen een vordering tot nakommg wordt aangevoerd, dat de overeenkomst wegens gemis van een geoorloofde oorzaak (van rechtswege) nietig is. Het verschil tusschen dit geval en dat, waarin de handeling vernietigd (nietig verklaard) wordt ligt, behalve in de processueele behandeling, in de positie van derden. Zie het slot van § 183. Het kan zelfs zijn, dat de debiteur het initiatief neemt en zekerheidshalve, reeds voor hij is aangesproken, van den rechter een sententia declaratoria vraagt, waarin geconstateerd wordt, dat een bepaalde handeling, die heeft plaats gevonden, nietig is. Dat kan, indien de debiteur slechts een ten processe blijkend belang heeft. Zie Hof den Haag 7 Febr. 1910, W. 9009. De H. R. besliste slechts schijnbaar anders in het arrest van 24 Januari 1913, W. 9479; N. J. 1913, 403. De H. R. had slechts bezwaar tegen het woord, „nietigverklaring", dat hij blijkbaar wilde reserveeren voor de in titel IV, afd. 8, genoemde gevallen. TiEEEMAN blz. 35—39 en de daar geciteerde rechtspraak verzetten zich tegen de mogelijkheid van zoo'n sententia declaratoria.

2 Absolute nietigheid, hoewel een vonnis noodig om die te constateeren vinden wij b.v. bij het huwelijk (art. 140). De artikelen 150 e. v. zouden anders overbodig en onbegrijpelijk zijn. Ook de krachtens art. 1482 vernietigbare handelingen, worden, nadat de rechter gesproken heeft, absoluut nietig. Daartegenover beva+ art. 1377 een relatieve nietigheid zonder dat een vonnis noodig is. Evenzoo art. 1507 (zooals de H. R. dat opvat).

3 Dat toch is in deze de functie van den rechter. Daardoor wordt tevens het onderscheid aangeduid tusschen dit geval en b.v. dat van art. 1639W, waar de rechter een geheel wettig bestaande rechtsverhouding een einde doet nemen vanaf het oogenblik van zijn beslissing.

Sluiten