Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anderen crediteur volbrachte executie heeft opgeleverd. M. a. w. derden, d. z. de andere crediteuren, moeten dien crediteur als zoodanig erkennen, zoolang het onder dwang gesloten contract niet is vernietigd1. En of die vernietiging zal worden gevorderd, staat ter beslissing van den debiteur, die onder dwang gehandeld heeft. Na de uitspraak des rechters evenwel bestaat zekerheid, dat er nooit een geldige overeenkomst heeft bestaan. Zoowel t. a. v. den vroegeren debiteur als van derden, is het z.g. contract weggevallen.2 Zelfs zal de vroegere crediteur daarna niet meer kunnen beweren, dat er dan toch een overeenkomst heeft bestaan, totdat zij is vernietigd. Het vonnis heeft juist uitgemaakt, dat er nimmer een geldig contract is geweest.

Zoolang de partijen niet procedeeren, zal het voor hun verhouding t. o. van elkaar practisch niet zoo heel veel verschil maken, of er al dan niet een vonnis is. Een aanmaning om te betalen kan worden beantwoord met het dreigement de nietigverklaring te zullen aanvragen.

Veel grooter is het verschil in de positie van derden. Zoolang de rechter niet sprak, moeten deze de overeenkomst als bestaand erkennen en zij missen de bevoegdheid een uitspraak over de geldigheid uit te lokken.

Een geval, waarin, na de vernietiging (nadat de nietigheid door den rechter is uitgesproken) toch slechts sommigen zich op die nietigheid mogen beroepen, waarin m. a. w. de nietigheid, ook dan, slechts relatief is, levert art. 1377 op, indien men, zooals verscheiden schrijvers doen 3, aanneemt, dat ook daar een nietigver-

*Zie hierover meyers in zijn noot onder H. R. 24 Febr. 1933, N. J. 1933, blz. 645; (het arrest is ook te vinden in w. 12572) en de gedachtenwisseling tusschen Meyers en A. K. C. de Brauw in Ned. Juristenblad 1933, blz. 350.

2 Onjuist is het daarom deze gevolgen toe te schrijven aan een, onderstelde, terugwerkende kracht van het vonnis. Daarvoor zou men tevergeefs naar een wettelijken grondslag zoeken. De zaak is echter, dat het vonnis constateert en doet vaststaan, dat er nooit een geldig contract is geweest. Evenmin wordt daardoor de kracht van gewijsde buiten art. 1954 uitgebreid. Zie daarover terecht weststrate in Ned. Juristenblad 1930, blz. 549.

3 TiEEEMAN blz. 82, Hoefman kjblz. 239. De vermelding van art. 1377 in art. 1490 zou aan deze opvatting steun bieden, indien niet bij dezelfde gelegenheid, waarbij deze passage in art. 1490 werd opgenomen, tevens uitgesproken was, dat hier niet aan vernietigbaarheid, doch aan nietigheid van rechtswege, moet worden gedacht. Zie hiervóór blz. 230. Over de vermelding van art. 1377 in art. 1490 vgl. men nog Land-Lohman, blz. 502, noot 4.

Sluiten