Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaring door den rechter noodig is. De in art. 1377 bedoelde nietigheid werkt immers altijd slechts ten voordeele van de crediteuren der handelende partijen.

Men houde dus steeds in het oog, dat de vraag, of de tusschenkomst des rechters vereischt wordt tot het constateeren van een nietigheid, niet is een toevoeging aan of een nadere uitwerking van de theorie, die de nietigheden in absolute en relatieve verdeelt, doch dat wij te doen hebben met een geheel ander criterium, dat tot een eigen verdeeling der nietigheden leidt.1

§ 184. De onderscheiding tusschen de nietigheden van rechtswege en die, welke door den rechter moeten worden geconstateerd, berust niet op logischen grondslag. Een verschil in aard kan men tusschen beide groepen niet constateeren. Dat de eene nietigheid van rechtswege werkt, de andere eerst na vonnis, is een slechts historisch te verklaren verschil. Evenzeer kan slechts de historie licht ontsteken over de vraag, waarom een bepaalde nietigheid bij de eene of bij de andere groep is terecht gekomen.

Reeds in het Romeinsche Recht bekend, (en daar verklaarbaar uit de tegenstelling jus civile —jus praetorianum) vertoonde zij in het oud Fransche recht2 deze eigenaardigheid, dat, tegenover de ook daar niet onbekende nietigheid van rechtswege, de vernietigbaarheid in twee vormen voorkwam: de action en nullité en de action en rescision.3 Dit onderscheid tusschen beide vormen van vernietigbaarheid verviel tijdens de Fransche revolutie. Zoo bleef het ook in den Code Civil. Niettemin hield ook de C. C. in zoover aan het oude spraakgebruik vast, dat de beide uitdrukking naast elkaar (art. 1304 C. C.) of beurtelings gebruikt worden om één en dezelfde zaak aan te duiden. Daarvan is weer het gevolg ge-

1 Niet zelden vindt men een drieledige onderscheiding: 1. absolute nietigheid; 2. relatieve nietigheid; 3. vernietigbaarheid. Dat is een indeeling, welke op twee gedachten hinkt en beurtelings elk der beide criteria gebruikt. Zij draagt eerder bij tot verwarring dan tot verheldering. Over de theorie, die de z.g. non-existente of inexistente handelingen tot een afzonderlijke categorie wil verheffen naast de absoluut nietige, zie men het aanhangsel tot deze afdeeling, § 192.

2 Zie Land-Lohman blz. 493 noot 1 en uitvoeriger Capitant, Introduction a 1'étude du droit civil, blz. 317—319.

3 Daar de laatste slechts kon worden ingesteld krachtens een, namens den Koning, verleend verlof, sprak men bij de action en nullité wel van een nullité de plein droit, hetgeen weer verwarring deed ontstaan tusschen dezen vorm van vernietigbaarheid en de nietigheid van rechtswege.

Sluiten