Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nietigheid van rechtswege naar ons recht als het normale geval beschouwen en de hier gegeven regeling als een uitzondering. Er kan daarom m. i. ook geen sprake van zijn, dat de hier gegeven regeling ook zou gelden voor andere nietigheden.1 Een nietigheid, die niet behoort tot de groepen, in de achtste afdeeling aangeduid, zal altijd een nietigheid van rechtswege zijn.

§ 186. De bepalingen der achtste afdeeling zijn toepasselijk op verbintenissen, uit overeenkomst ontstaan, en in beginsel eveneens op die uit rechtmatige daad. Wel is waar schijnt het opschrift, evenals de aanhef van art. 1482, nog algemeener, doch art. 1483 sluit van de vernietigbaarheid^ aanstonds uit de verbintenissen uit „misdrijf of uit een daad, welke aan een ander schade heeft toegebracht". Dat is blijkbaar een vertaling van „délit ou quasidéHt", zooals het in art. 1310 C. C. heet. Als vertaling is ons artikel niet bijster goed geslaagd. Doch deze afkomst uit art. 1310 C. C. bevestigt, dat de „quasi contrats" wèl kunnen worden vernietigd. Men houde echter in het oog, dat het ontstaan der verbintenis beïnvloed moet kunnen zijn door een der gebreken, welke volgens deze afdeeling tot nietigverklaring kunnen leiden. Dat zijn handelingsonbekwaamheid of een gebrek in de toestemming. 2 Veel meer dan zaakwaarneming zal er dus wel niet onder vallen. Daarentegen breidt de H. R. de werkingsfeer dezer bepalingen ook uit tot rechtshandelingen, welke een schuld doen te niet gaan; handelingen dus, die men in den regel niet tot'de verbintenisscheppende rekent.3

Eigenlijk is het onjuist om te zeggen, dat de „verbintenis" wordt nietig verklaard. Wat de rechter inderdaad in deze gevallen doet. is uitspreken, dat de gebeurtenis, waaruit de verbintenis is voortgekomen, van den aanvang af een, voor haar wettig bestaan, onmisbaar element heeft ontbeerd. Dat daaruit dus geen verbintenis is ontstaan, is daarvan slechts de consequentie. Indien wij in de volgende bladzijden spreken van de vernietiging van overeenkomsten, zijn de (rechtmatige) daden, die de bron van verbintenis kunnen zijn, stilzwijgend daaronder begrepen.

1 Zooals de rb. te Alkmaar b.v. in haar vonnis van 19 April 1900 W 7590 meende.

2 Zie Diephuis X, 675 e. v.; Schoeten in W. P. N. R. 2197 e. v.

3 H. R. 5 Januari 1933, W. 12560; N. J. 1933, 793.

Sluiten