Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ping van de voorwaarde en hare gevolgen, nog iets overblijft, wat als een overeenkomst kan worden beschouwd en ook kan worden beschouwd als de overeenkomst, die partijen op het oog hadden. Vaak zal zeker het tegendeel het geval zijn. Doch niet altijd. Een strafbeding doet een voorwaardelijke overeenkomst ontstaan. Doch een nietig strafbeding heeft niet de nietigheid der „hoofdverbintenis" ten gevolge. Zoo bepaalt art. 1341. Evenzoo zal in het, boven onderstelde arbeidscontract, de nietigheid van het niet in den wettelijken vorm gemaakte beding, tot gevolg hebben, dat dat beding geen kracht heeft, doch geenszins het bestaan van het arbeidscontract aantasten. Alleen zal voor dat ongeldige beding, de wettelijke regeling in de plaats komen K

Ook hier moge ten aanzien van de vraag in het algemeen met deze opmerkingen worden volstaan. Wat ons hier weer in het bijzonder bezig houdt, is de invloed van de in de artt. 1482 e.v. genoemde gronden voor nietigverklaring op het bestaan der overeenkomst. In dit opzicht kan geen twijfel bestaan. De overeenkomsten, door incapabelen gesloten, verdwijnen geheel en al. Dat volgt uit den aard der gebreken, die in dit geval tot nietigverklaring leiden. De onbekwame kan nu eenmaal niet geldig contracteeren. Wordt dus op dien grond een door hem gesloten overeenkomst vernietigd, dan zal, wil men dezen wettelijken regel inderdaad verwezenlijken, die overeenkomst ook geheel en al moeten verdwijnen.

Vernietiging wegens dwang, dwaling of bedrog heeft feitelijk veelal hetzelfde resultaat. Dit zal echter nader blijken bij de bespreking dezer wilsgebreken in een volgend stuk.

§ 191. Bevestiging 2 van nietige overeenkomsten.

Een nietige, of vernietigbare, overeenkomst of rechtshandeling zal, in vele gevallen, door een geldige kunnen worden

' Zoo in het geval, dat zijn slot vond in het arrest H. R. van 24 April 1014 W 9665- N. J. 1914, 668. De H. R. besprak dit punt wel met, doch' de opvatting van rb. en Hof blijken uit het arrest

2 Vaak spreekt men ook van bekrachtiging. De wet kent zelfs nog wel andere uitdrukkingen om hetzelfde aan te duiden. DE Wijkerseooth stelt in zijn dissertatie, Bekrachtiging van rechtshandelingen (1925) voor de term bekrachtiging te bezigen, wanneer de handeling van een tot die handeling onbevoegden vertegenwoordiger door hem, m wiens naam zij geschiedde, wordt goedgekeurd, terwijl bevestiging dan zou aanduiden het afstand doen van het recht zich op een omstandigheid te beroepen welke een handeling nietig maakt. Onze juristen zijn tot heden echter nog niet algemeen tot dit spraakgebruik overgegaan.

1

Sluiten