Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vraag, welke met een gebrek behepte handelingen nu „inexistent" en welke (in een of anderen vorm) nietig zijn.1 Geen wonder; waar geen verschil bestaat, zal men tevergeefs zoeken naar criterium om dat, niet bestaande, verschil uit te drukken! 2

VIII. VERJARING.

§ 193. De extinctieve verjaring, met haar tweelingzuster, de acquisitieve verjaring, in het vierde boek van ons B. W. geregeld, wordt in art. 1417 eveneens genoemd als een wijze van te niet gaan van verbintenissen 3. Zij verdient daarom ook hier te worden besproken. Indien althans de vermelding in art. 1417 blijkt terecht te zijn geschied en niet berust op een onvolkomen inzicht van den wetgever. Over deze vraag bestaat nu juist een aanmerkelijk verschil van gevoelen en aan deze — voor ons — prealabele vraag dienen dus eerst een paar woorden te worden gewijd.

Terwijl velen in de verjaring inderdaad een wijze van tenietgaan der verbintenis zelve zien, staat daartegenover een niet

1 Zie Planiol I, n°. 333, en CapiTanT, Introduction blz. 320. Het ontbreken van een ,,'solemnitatis causa" voorgeschreven formaliteit maakt volgens den een de handeling inexistant, de ander spreekt van een nullité.

2 Hofmann (blz. 365) ziet een onderscheid hierin bestaande, dat een nietige handeling toch wel gevolgen kan hebben, zij het dan ook andere dan de partijen bedoelden. Is b.v. krachtens een nietige handeling een goed verkocht en geleverd, dan zal de verplichting ontstaan het te restitueeren Doch precies hetzelfde zal men kunnen vinden bij handelingen, die HOF+MANryvermoedelijk tot de inexistente zou rekenen. Zie THEEMAN blz 21 e v Ja zelfs de geheel ongegronde meening van iemand, dat hij met mij heeft gecontracteerd, terwijl wij in werkelijkheid geen woord wisselden kan hem er toe leiden mij te dagvaarden, en mij groote proceskosten veroorzaken, welke mijn tegenpartij mij dan mogelijk weer zal moeten restitueeren. Evengoed zal een volmaakt nietig testament (wat men in den regel bij de inexistente rechtshandelingen indeelt) toch kunnen bewijzen, dat de erflater leefde en kon schrijven op het oogenblik dat Inliet maakte.

Ten slotte wijst men wel eens op figuren als een z.g. koopcontract, waarbij niets over den prijs werd overeengekomen en dat dus, naar onze wet géén koopcontract is. Het is toch te gek, zal men zeggen in zoo n geval van een nietig contract te spreken. Het is m. i. even dwaas m zoo n geval van een in existente óf „juridisch niet bestaande" overeenkomst te spreken Men zou dan b.v. ook wel, indien een procespartij zich op overmacht als gevolg van een storm beroept, doch het bewijs niet kan leveren, van een „niet existent onweder" kunnen gaan spreken.

3 Zie LlCHTENAUER, De vernietigende verjaring en aanverwante rechtsfiguren (i932)-

Sluiten