Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder respectabele rij van juristen, die meenen, dat de verjaring niet de verbintenis aantast, doch alleen aan den crediteur de mogelijkheid beneemt haar in rechten te doen gelden. Wat door verjaring te niet gaat, zoo zeggen zij, is niet de verbintenis doch de daaraan verbonden „actie". De verbintenis zelve blijft dus bestaan, doch wordt tot een „natuurlijke" 1 gedegradeerd. Zou dit juist zijn, dan ware een behandeling der vernietigende verjaring hier misplaatst. Zij zou dan beter in het procesrecht op haar plaats zijn.

Men duidt deze beide aan elkander tegengestelde opvattingen aan als de „sterke" en de „zwakke" theorie der verjaring.

Beide kunnen zich op de wet beroepen. Art. 1417 noemt zeer duidelijk de verjaring een wijze van te niet gaan der „verbintenis", waarmede overeenkomt, dat het opschrift van afd. 3, Boek IV, titel VII, waarin deze vorm van verjaring behandeld wordt, spreekt van de „bevrijding van een verpligting", welke het gevolg der verjaring zou zijn. Hetzelfde doet art. 1983. Doch voor de voorstanders der zwakke werking wegen deze beginselverklaringen van den wetgever minder zwaar, dan de uitdrukkelijke bewoordingen van art. 2004, dat zeer bepaald spreekt van het te niet gaan der „rechtsvordering", een spraakgebruik, dat in de volgende artikelen wordt gehandhaafd 2. Bij de historie licht

1 Zie over de natuurlijke verbintenis de §§ 18—24.

Dat practisch het verschil tusschen beide opvattingen zoo gering is .als Hofmann (blz. 259, noot 2, en 317), in navolging van Star Busmann (Hoofdstukken v. Burg. Rechtsvordering § 145) meent, acht ik overdreven. Betaling van een verjaarde schuld zou immers, volgens deze schrijvers, altijd inhouden een afstand van de verjaring (art. 1983). Maar dat is toch alleen waar, indien mag worden aangenomen, dat bij den betalende ex-debiteur de wetenschap bestond, dat de schuld verjaard was. In ieder geval zou dus tegenbewijs mogelijk zijn. In dien geest ook LlCHTENAUER blz. 29—30.

2 De voorstanders der zwakke werking wijzen voorts nog op twee omstandigheden, die voor hun opvatting zouden pleiten. De eerste is de mogelijkheid om van een reeds verkregen verjaring afstand te doen. Inderdaad schijnt het vreemd, dat men een krachtens wetsbepaling te niet gegaan recht kan doen herleven, doch zagen wij niet iets dergelijks bij de compensatie en de nietigheid ? Het recht is nu eenmaal minder doctrinair dan vele interpretatoren! Zie verder § 195.

Het tweede, nog onbesproken argument, dat vóór de zwakke werking zou pleiten bestaat hierin, dat de rechter niet ambtshalve verjaring mag toepassen, doch een beroep van ged. moet afwachten. Evenwel indien men anders zou beslissen, zou de mogelijkheid van afstand van de verjaring vrijwel onmogelijk zijn. Ook de vraag der al of niet ambtshalve toepassing is, voor den wetgever, een vraag van doelmatigheid, meer niet.

Sluiten