Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoekende, komt men niet veel verder. Domat was „sterk", Pothier „zwak", de geschiedenis van het tot stand komen onzer wet levert wel eenige argumenten op voor het aannemen der sterke werking1, doch géén dat krachtig genoeg is om alle tegenwerpingen te niet te doen. Niet onverklaarbaar is dan ook, dat onder de schrijvers groot meeningsverschil bestaat. Opzoomer is „zwak", Diephuis „sterk", Land is sterk, Asser-van Goudoever zwak, Boneval Faure, Star Busmann, Molengraaff sterk, Suyeing zwak, Hofmann zwak, Lichtenauer sterk.

Men zal in deze omstandigheden het antwoord moeten zoeken buiten de wetsartikelen, die zich speciaal met de verjaring bezig houden of hun geschiedenis. En dan is; naar ik meen, duidelijk, dat de scheiding van „recht" en „actie", welke de grondslag vormt van de zwakke theorie, met ons tegenwoordig rechtssysteem en de daaraan ten grondslag liggende denkwijze in strijd is. Zeker, er zijn sommige plaatsen in onze wet, waar aan de actie een zelfstandig bestaan wordt toegekend 2. Zulke bepalingen moeten natuurlijk worden erkend en geëerbiedigd. Doch de zienswijze, waarvan zij uitgaan, en die in zulke bepalingen tot uiting komt, is niet de opvatting, waarop ons rechtssysteem rust3. Anders dan in het Rom. Recht wordt tegenwoordig niet een actie, een rechtsvordering, toegekend, uit welks aard en inhoud dan blijken moet, welke norm eigenlijk haar uitgangspunt was, doch wij handelen juist andersom. Bij ons is het uitspreken van den norm juist des wetgevers taak; door die te vervullen kent hij, zonder het m. z. w. uit te spreken, aan het rechtssubject tevens een „actie" toe. Ons procesrecht kan dan ook tot erkenning en handhaving van de meest uiteenloopende subjectieve rechten dienen, zonder de verschillende gevallen naar hun „actie" in te deelen. In deze omstandigheden moet een theorie, welke uitgaat van de splitsing in vorderingsrecht en rechtsvordering, 4 zeker niet worden aanvaard, zoolang de wet er niet toe dwingt.

1 Zooals onlangs door Lichtenauer, blz. 20—30, is in het licht gesteld.

2 Zie b.v. art. 5648.

3 Zie ook Asser-van Goudoever blz. 11.

4 In modernen vorm doet Suyeing, I, 2e stuk, n°. 333 dat, door uitgaande van een theoretische beschouwing over den aard van het proces de actie op te vatten als een publiekrechtelijke aanspraak tegenover de overheid. Deze beschouwing zou voor ons echter pas practische waarde krijgen, indien tevens werd aangetoond, dat het Nederlandsche proces.

Sluiten