Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met zal verjaren (art. 1984). Ware het anders, een dergelijk beding zou al spoedig in alle overeenkomsten worden opgenomen. Het door de instelling der verjaring beoogde doel zou dan worden gemist. Om dezelfde reden kan, zoolang de verjaring loopt, een dergelijke afspraak niet worden gemaakt. Uoch is de termijn afgeloopen, is de debiteur dus inderdaad bevrijd, dan kan hij van de verkregen bevrijding afstand doen. Voldoet hij alsnog vrijwillig, dan zal hij dus alsnog „betalen", nieteen onverplichte schenking doen. Op het eerste gezicht schijnt dit vreemd, doch nader overweging leert anders. Verjaring kan inderdaad tengevolge hebben, dat een deugdelijk bestaand recht, buiten de schuld van den crediteur, te niet gaat. Indien ook de debiteur dit in zoo'n geval inziet en, door zijn geweten gedrongen, toch de praestatie verricht, waartoe hij niet meer zou kunnen worden gedwongen zal dat in zijn eigen oogen betaling zijn en geen schenking. Daarbij sluit de wet zich aan K

Eén beperking brengt de wet in 1989 aan. De afstand mag niet geschieden om daardoor de rechten van schuldeischers (van den debiteur) of andere belanghebbenden te verkorten. Ongeldig zal b.v. zijn de afstand van verjaring, gedaan op een oogenblik waarop de debiteur reeds wist, dat zijn faillissement onvermijdelijk was. Daardoor zou hij immers aan het getal zijner schuldeischers, die toch reeds slechts ten deele bevredigd zullen worden nog een aantal crediteuren kunnen toevoegen, die dan ook in het faillissement zouden kunnen opkomen.

Voor de schuldeischers schijnt de bepaling naast art. 1377 tamelijk overbodig. Van meer belang schijnt zij voor de andere belanghebbenden als borgen. Die zijn door de verjaring bevrijd en zouden nu, moesten zij de afstand erkennen, weer verbonden worden 2.

Zie uitvoeriger Lichtenauer blz. 101 e. v. alsmede Diephuis II

blz 270 e v., die ook opmerkt, dat het een maatschappelijk belang is'

af tand bternee' 7 £ bestemd is te geven, niet doo/een

n et HscS ïaf' W°r,dt 7fjddd' d°Ch dat dit matschappelijk belang

ook doo h.f hetV°0rd!el' hetWdk de VerjarÜ1S aan iemand toebreng! ook door hun wordt genoten. Zie ook blz. 240 noot 2

2 Zie Diephuis II, blz. 275.

Sluiten