Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vervaltermijnen.

? 201. In de vorige paragraaf zagen wij, dat in de daar behandelde gevallen, het subjectieve element, dat in de verjaring is gelegen, zóó sterk was, dat in beperkte mate tegenbewijs mogelijk was. Daartegenover zijn er ook gevallen, waarin het belang der rechtszekerheid, naar de meening van den wetgever, zoozeer overheerscht, dat daarbij van alle subjectieve elementen wordt afgezien. Schorsing noch stuiting zijn daarbij mogelijk. Ambtshalve vraagt de rechter of de in de wet genoemde tijdsduur is verstreken. Partijafspraken, waardoor deze zou worden verlengd, zijn ongeldig. Afstand is niet mogelijk. Dit is het z.g. „verval", ook bij ons vaak door den Franschen term „déchéance" aangeduid P. Het heeft lang geduurd voor men deze variëteit der aloude verjaring in haar eigenaardigheden onderkende 2. Tegenwoordig worden verjaring en verval, ook bij het ontwerpen van onze wetten, als twee streng gescheiden begrippen behandeld 3. Doch in de eerste helft der 19e eeuw was men minder nauwkeurig4 en was men zich van het onderscheid nauwelijks bewust. Het woordgebruik van onze wet kan daarom slechts zelden licht geven 5. In elk bijzonder geval moet uit de strekking der bepalingen de aard van den termijn worden afgeleid. Vaak treft men de voorstelling aan dat de korte duur van een door de wet bepaalden termijn een aanwijzing zou zijn, dat wij met een vervaltermijn te doen hebben Men bedenke echter, dat wij in de korte verjaringen juist voorbeelden van het tegendeel zagen. Bovendien, hoe korter de termyn^desjte meer reden om schorsing en stuiting mogelijk te

terrmjn ~ Vr°eger Vaker dan thanS ~ van een fatalen

3 vg!' ^ICHTENAUER- tweede afdeeling (hoofdstuk V en VI)

Vgl. b.v. de artt. 3446 en 344/, beide in 1909 in ons B. W. ingevoegd Opmerking verdient, dat in het geval van art. 344& de verjS ook •Ïfake mderjarige l0°Pt- Van SCh°rsinS Zal daarbi3 dan ook'g'n

4 Lichtenauer § 125 e. v.

HeV^Jfgm wb-V" 6enS h6t 6erSte en het tweede lid van art. 14,6.

t !Prf«ktJan V6rval' het tweede van verjaring. Toch wordt blijkbaar hetzelfde bedoeld. Dat men hier voor verjaring loet kiezeÏÏ m. 1. helder uiteengezet door den Proc.-Gen. Mr. Tak in diens conclusie voor het arrest van den Hoogen Raad van i9 Mei I933 W 1261? N 1933, 1267. Door den H. R. werd de vraag niet beantwoord '* v. ürakel, Verbintenissenrecht.

17

Sluiten