Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevestiging der langgestrekte via Partenope stortten en hoog opschuimden tegen de loodrechte wanden van het Gastel dell'Ovo. Vlak daarop ontketende zich een gierende, loeiende storm, die dadelijk opruimde onder losgeraakte dakpannen en bouwvallige schoorsteenen. Het stof in de straten wervelde omhoog; een paar vastgebonden muilezels, door hun meester vergeten en verraden, balkten klagend, den staart tusschen de pooten.

Terwijl de storm nu woedend optornde tegen de als rotsen zoo kale en hooge huizen der havenwijk, wrong zich ergens door de balkondeur van een dakverdieping iets levends naar buiten, niet veel meer dan een donkere stip in deze wereld van verlaten steen; pas van naderbij beschouwd groeide deze donkere stip tot een menschelijke gestalte, tot den ietwat tengeren jongeman, waarvan in deze regelen nog vaak sprake zal zijn. Hij had haastig de deur der mansarde weer achter zich dichtgetrokken en zich met beide handen vastgeklampt aan het ijzeren balkonhekje. Zoo hield hij stand, met ontbloot hoofd en fladderende zwarte haren, en blikte door half toegeknepen oogleden uit over de haven en de zee. Rambaldo Fittipaldi heette deze ietwat te ruim in z'n kleeren stekende jongeman; hij was jurist van beroep en onderscheidde zich van de duizenden andere hongerende Napolitaansche „paglietti" hoogstens door een nóg rotsvaster vertrouwen in een schitterende toekomst. Verder zou men nog van hem kunnen zeggen, dat hij een naar het romantische en heroïsche neigenden aard bezat. Deze kwam in het nuchtere aldaagsche leven reeds onwillekeurig tot uitdrukking in de wijze waarop hij den befaamden strooien hoed, waaraan de paglietti hun bijnaam danken, op zijn weelderigen haar-

Sluiten