Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dei leoni! Dei leoni!" juichte het koor van Napolitaansche straatbengels toen de eerste kooiwagen het hek kwam uitrijden, en ze telden of het werkelijk zestig leeuwen zouden worden zooals de aanplakbiljetten hadden vermeld. De wagens schokten en zwaaiden over het erbarmelijk plaveisel van Vesuviussteenen; uit den grooten zinken bak der zeeleeuwen spatte het water omhoog; natte, zwartglimmende koppen doken loodrecht op, stootten met kwaadaardig gesnorden muil een uitdagenden blaf uit, gleden weer in de diepte terug.

„Delle fochel Delle rochel"

Shetlandsche ponies en kleine Samojedenpaardjes trokken met vereende krachten een paar lichtere wagens; ze waren met bellen en bonte pluimen opgesierd, en een groote aap hield de leidsels en keek arrogant tusschen het publiek, het een enkele maal giftig z'n tanden zien. Verdeeld over den langen stoet, liepen een twaalftal Senegaleezen mee; ze droegen confectie-colberts en dophoedjes en toonden een voorliefde voor kleurige- zijden sokken met roodbruine schoenen, maar al dat moois redde hen niet voor den Napolitaanschen straatjongen, die hun dofzwarte Soedan-visage, hun groote witte dierengebit in den valen mond, hun naïef-trieste apenoogen onder de hoogmoedige wenkbrauwen opmerkte en verrukt uitriep:

„Delle scimmie! Apen! Delle sommie!"

Tusschen acht gitzwarte en acht roomblanke Andalusische hengsten, die bij tweeën aan het bit werden geleid door een stalknecht, trippelde met pretentieuze pasjes een wit Sardijnsch ezeltje zonder geleide; het werd door de menigte, die het komische in deze rangschikking voelde, van beide zijden toegeroepen, uit-

Sluiten