Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lid van de Misericordia had zien meeloopen. Hij staarde er op, en, inplaats van op de laatste vraag van Gottfried Sturm te antwoorden, informeerde hij aarzelend: „Vergeef me, Signor Direttore... het faillissement is nog niet aangevraagd?"

Verstoord door dat jonge broekje, dat blijkbaar nog iets meende te kunnen redden waar %ijn overredingskracht, tezamen met den goeden naam van het circus, gefaald hadden, wees Herr Sturm hem met den vinger een naam aan, den naam van den Sardijnschen slager, en zei: „Praat met dien man. Als jij het kunt, ben je knap."

Rambaldo had den naam juist zelf al gezien. „Ja... daar zal weinig aan te doen zijn," gaf hij dadelijk toe, aan een proces over een wagon bevroren vleesch denkend, dat uitsluitend dank zij de taaiheid van dien Ferrazzo nog altijd slepende was. „Dat is een dog: die heeft de tanden naar binnen staan. Hij zou aan het faillissement vasthouden, al konden we alle andere schuldeischers nog tot geduld bewegen. - Weest u niet boos als ik het vraag, Signor Sturm... maar zou u daar nog veel aan gelegen zijn? Hebt u eenige hoop, dat er tot het voorjaar nog voldoende in kas zou komen om alle schuldeischers te voldoen?"

Gottfried keek den jongen Itahaanschen advocaat een seconde lang gramstorig aan en betreurde het ventje niet dadehjk buiten de deur te hebben gezet... toen eensklaps las hij op dat jeugdige gelaat iets van een snel en diep begrijpen, dat hem weeker maakte. Hij het zich in zijn stoel naar achteren vallen en worstelde tegen een plotselinge nerveuze aandoening.

Na een oogenbhk zei hij: „Neen... alles moet nu maar komen zooals het komt. Van een vergelijk willen ze niets weten... en wat ben ik ermee gebaat? Dadehjk

Sluiten