Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ergens klapperde het zeildoek; zijn geoefend oor verraadde hem dadehjk waar het was. Ongevaarlijk dat: het baatte niet, of de wind in een zij-gangetje, of in een zeildoeken opslagplaats drong; in de tent zelf moest hij zich toegang verschaffen, liefst ergens boven in het dak, waar men een scheur niet dadelijk weer dichten kon...

En het was nog niet voldoende of de gansche tent al in de lucht werd geblazen en als een enorme, gescheurde ballon over Napels wegvloog. Immers, de doode en levende inventaris zou blijven; daarvoor zouden de verzekeringsmaatschappijen niets uitkeeren. Hier zou nog een vreeselijke bondgenoot moeten helpen: het vuur.

Hij staarde met groote oogen in het duister boven zijn bed. Hij hoorde den wind niet meer; hij hoorde nog slechts het brullen van zestig aan den vuurdood prijsgegeven leeuwen.

Een enkele onvoorzichtig neergeworpen lucifer in het stroo der stallen zou, bij deze windsterkte, binnen weinig minuten (om niet van seconden te spreken) de gansche tent tot één laaiende vuurmassa maken.

Gottfried Sturm lag doodstil en durfde niet meer te ademen. Zijn tanden klapperden.

Nooit, nooit zou hij tot zooiets in staat zijn. Zijn paarden zouden levend verbranden, zijn zestien heerlijke zwarte en blanke dieren, die met gebogen kop om een hefkoozing smeekten wanneer hij door de stallen ging. Ze zouden levend moeten verbranden, want als hij hen tevoren vrijhet, kwam alles uit.

Verder hoefde Gottfried Sturm niet meer te denken. Wie en wat er nog allemaal in de tent door het vuur noodlottig verrast zou kunnen worden... het was hem

Sluiten