Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijde; ze liepen langs de gansche windzijde om de tent heen; de storm blies hun onder de kleeren, maar koud was het niet - waarom kon Gottfried Sturm nog steeds de rillingen niet overwinnen, die hem over het lijf hepen?

Ze vonden niets ernstigs. Een paar kleinigheden, die ze gezamenlijk verhielpen. Bij het terugkeeren scheen Saul er zich over te verwonderen, dat zijn directeur nog steeds geen woord gesproken had; even keek hij hem van terzijde aan. En de ander voelde in het halfduister den blik van den temmer; het was slechts de treurig-onderzoekende bhk van een toegewijde, die zich sedert enkele uren in zijn meester verraden zag, maar Gottfried Sturm legde het zich anders uit; het kwam hem voor, of Saul, de zwijgzame, hem geheel doorzien had en op den bodem van zijn ziel de waanzinnige, misdadige gedachte gelezen had, die hem daareven. ..

Bij ieder ander van zijn oude, vertrouwde medewerkers zou Gottfried Sturm dit stilzwijgend medeweten van zijn schuld als een bevrijding gevoeld hebben; hij hunkerde in dit uur naar een vriend, bij wien hij biechten en zijn gansche diepe smart kon uitspreken. .. in Saul echter voelde hij slechts den onverbiddelijk strengen rechter, den zedehjken Uebermensch, naast wien hij zich als een kleine, dwaze hansworst voorkwam, die uit ijdelheid een verantwoording had willen dragen, welke hij niet aankon.

Hij overwon de bespottelijke weekheid, het zelfmedelijden, dat over hem kwam terwijl de temmer hem van terzijde aankeek; hij trotseerde dien bhk...

Sluiten