Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men hen aan den dissel had vastgesmeed. Het waren Mustapha en Alexander...

En toen, ineens, juist toen een brooddronken jonge dwaas daar op de zegekar een lange zweep over de beide leeuwen wilde uithalen, slaagden deze er in, zich met dissel en al los te rukken. Dol van woede stortten de half uitgehongerde dieren zich op de gillend uiteenstuivende en over elkaar heenstruikelende massa en sloegen met hun klauwen links en rechts...

Saul echter zag dat alles aan en deed niets om het vreesehjk onheil te verhinderen. Hij stond als verlamd terzijde en alles in hem verweerde er zich tegen om in te grijpen. Integendeel... in zijn droom zag hij zichzelf, het erbarmelijk gejammer nog in zijn ooren, naar de andere hokken gaan en er de grendels af trekken... zoodat zesdg gekwelde, verhongerende leeuwen zich stortten op de carneval-vierende stad...

Het Was een afschuwelijke droom, en nacht aan nacht keerde hij weer. Saul droomde reeds sinds weken, daar hij te vaak met een halfleege maag ging slapen.

Karl had het er intusschen op aangelegd, de vleeschvoorziening voor zijn dieren langzaam maar gestadig op te drijven, alsof er twaalf inplaats van zes panters van moesten leven. De macaroni-fabrikant, die geen verstand van een pantermaag had, merkte het waarschijnlijk in het geheel niet, maakte er zich in elk geval verder geen zorgen over; de oude Karl stond op dit punt onnoodige angsten uit.

En zoo kregen de zes-en-zestig groote roofdieren dan juist voldoende om niet te sterven.

Zij hepen in hun nauwe hokken heen en weer, heen en weer en riepen om voedsel. Met zulke dieren thans

Sluiten