Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEZOARSTEENEN, MOESTIKA S en GÖELIGA'S

door J. KREEMER.

§ 1.

„De vreemdsoortige en phantastische middelen, die tot den inventaris onzer vroegere apotheken behoorden, de zeldzaamheden en rariteiten, die wanden en zoldering versierden en de blikken van den verbaasden bezoeker tot zich trokken, konden een historisch recht op hun, in onze oogen misplaatste, aanwezigheid doen gelden en wekten een stemming van mystiek en poëzie op, die onze nuchtere tijd niet meer kent." Aldus Dr. Van Andel i) in zijn, zoowel naar vorm als inhoud, uitnemend verzorgd werk over „Klassieke Wondermiddelen", waarin niet alleen de medicus-historicus en de pharmaceut, maar ook de folklorist en de beoefenaar van de geschiedenis der geestelijke ontwikkeling der menschheid, allerlei kunnen vinden, dat van hun gading is.

Tot die „Wondermiddelen" behoorden ook de concrementen, aangetroffen in de maag van verschillende dieren, welke vormingen als „bezoar-steenen" bekend zijn. Hun roem gaat tot in de grijze oudheid terug. Wanneer we hieronder een poging wagen, van de voornaamste dezer „steenen" een kort overzicht te geven, schijnt dit wel niet anders mogelijk, dan door ze in de lijst van hun tijd te bezien.

De geschiedenis vermeldt verschillende soorten van bezoarsteenen, maar de bezoar bij uitnemendheid is de z.g. „Oostersche bezoar" (Lapis bezoar Orientalis), welke blijkens zijn naam en zijn afkomst een Oostersch product is. 2) Hij stamt uit de maag van

*) Dr. M A. van Andel: Klassieke wondermiddelen, Gorinchem 1928, p. 2. J») Het woord „bezoar" is een verbastering v. h. Perzische pa (w) zakt [uit pa (tv) = afwasschend en zahr = gift], dat door de Arabieren werd overgenomen in den vorm fadhzoehr, waaruit in het Spaansch en Portugeesch bezoar, of bezat is ontstaan. Hoewel het woord naar den letter beteekent „tegengift" (Gr. antidoton) wordt er ook de Bezoar als „giftsteen" mede aangeduid (vgl. J. Ruska in Enzyklopaedie des Islam, dl. t 1913 i.v. „bezoar", en Yule and Burnell: Hobson-Jobson's Qossary, 1903, i.v. „bezoar").

Sluiten