Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wijze van toediening van den bezoar als tegengift scheen minder ter zake te doen. Ibn al-Baithër (f 1248), die een alphabetisch geordend pharmakologisch werk heeft achtergelaten, waarin een groot aantal eenvoudige geneesmiddelen uit het planten-, dieren- en delfstoffenrijk zijn opgenomen, weet ook heel wat aangaande den bezoar mede te deelen.

Zooals hij gewoonlijk doet, geeft hij ook hierbij extracten uit de werken zijner voorgangers. „Of men het poeder van den bezoar inneemt, dan wel den steen fin den mond houdt, of op een giftige wond legt, of als amulet aan den hals, of in een ring draagt, steeds" — zóó verzekert Ibn al-Baithar — „zal hij op krachtige wijze ieder ingedrongen gift' weerstaan, of onschadelijk maken. Raakt men met den steen den giftangel van een schorpioen aan, dan ontneemt men het dier zijn funeste kracht, en lost men twee grein er van in water op en stort men dit vocht uit in den muil van een of ander giftig dier, dan sterft dit onvermijdelijk den stikkingsdood" 1)

Door de Arabische handelaren werd de Oostersche bezoar langs de overlandsche wegen, die de handel toen volgde, naar ons werelddeel overgebracht en met hem de roem zijner wonderbaarlijke krachten, dien hij in het Oosten genoot. Het schijnt, dat hij reeds in de 12e eeuw in den Europeeschen artsenijenschat werd opgenomen en dat hij, behalve als gift neutraliseerend middel, ook werd aangewend tot bestrijding van den z.g. „zwarten dood", een pestepidemie, die in de 13e eeuw Europa bijna ontvolkte.2) In het werk „De Venenis" van Petrus Abbonus (1250—1316), hoogleeraar te Padua, dat in 1472 te Mantua is gedrukt, verschijnt de bezoar waarschijnlijk voor het eerst in de Westersche litteratuur. 8)

§ 2.

De ontdekking van Amerika maakte Europa bekend met een soortgelijk product, dat in de 16e en 17e eeuw de gevestigde reputatie van den Oosterschen bezoar naar de kroon stak, nl. de „Wes-

*) Ebn-BaitharrGrosse Zusammenstellung über die Krafte der bekannten elnfachen Heil- und Nahrungsmittel. A~us dem Arabischen überseat von Dr. J. v. Sonthel'lWI(i,fM- H, 1842, p. 201. Meerdere aanduidingen omtrent den Oosterschen bezoar bij Arabische schrijvers vindt men bij Dr. Fühner t.a.p., blz. 319 vg.

2) Dr. G. F. Kunz, The magie of jewels and charms, Philadelphia & London, 1915, blz. 202.

») Dr. M. A. van Andel, t.a.p. blz. 97.

Sluiten