Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Varkensbezoar toegedichte eigenschappen, dan blijkt vooreerst, dat hij, behalve als redmiddel tegen alle mogelijke giften, in de Oostersche wereld ook een groote reputatie genoot als bestrijder van de cholera (de Portugeesche schrijvers spreken van Cholerica passio, en vereenzelvigen dit met Mordexi, ons Mordekijn). De hierboven reeds genoemde Pedro Texeira verklaart, dat hij met dezen steen wonderen zag uitwerken bij twee groote choleraepidemieën in Cochim (lees Kotsjin in Z. Indië) in de jaren 1590 en 1591. i)

Eindelijk heette hij ook een remedium te zijn tegen menstruatie stoornissen, ja zelfs zou hij, volgens sommigen, in dat opzicht de krachten van den Oosterschen bezoar overtreffen. Zoo vermeldt de compilator De Vries op gezag van Jacobus Bontius (1592— 1631) — een der grondleggers der tropische geneeskunde en eertijds geneesheer te Batavia — dat de Stekelvarkensbezoar, naar het gevoelen der Inlanders in onzen Archipel ,,so sterck voortdrijft, dat de Malaische wijven als hare maendelycke reyniging verhinderd werd, hem maer alleen in de hand behoeven te houden, en dan terstond hulp bemercken." 2)

In de 17e eeuw werd de Varkensbezoar ook in Europa ingevoerd. Valmont de Bomare bericht in zijn „Dictionnaire raisonné universel" (Parijs 1775 p. 556), dat de bezoar van den egel — die gelijk reeds opgemerkt evenals de stekelvarkensbezoar wel met den varkenssteen werd vereenzelvigd — de hoogste prijzen opbracht. Deze steen was vettig en zeepachtig, zoowel voor het gezicht als voor het gevoel; groenachtig, of geelachtig van kleur, soms ook rood- of zwartachtig. Hij was bij ons te lande zoo hoog geprijsd, dat een Jood te Amsterdam 6000 pond vroeg voor een specimen in zijn bezit, ter grootte van een duivenei. Zulke bezoar's werden in Nederland en in Portugal ook wel uitgeleend tegen één dukaat per dag aan hen, die aan infectie waren blootgesteld en geloofden, dat een bezoar, als amulet gedragen, hen zou beveiligen tegen het gevaar. 3)

Zij, die zulke steenen bezaten, maakten ze gewoonlijk aan gouden kettinkjes vast, om ze gemakkelijk te kunnen laten hangen

J) Orta, t.a.p. blz. 388.

2) S. de Vries t.a.p. dl. II, p. 912; vgl. ook Dr. M. A. van Andel t.a.p, blz. 109.

») Gedt. bij Dr. G. F. Kunz, t.a.p. blz„£17 vg.

Sluiten