Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De slotsom van het door den heer A. A. Bos op hét Laboratorium voor Algemeene en Anorganische Chemie der Universiteit te Am~ sterdam verrichte onderzoek luidde, dat deze bezoarsteen bestond Uit stoffen van plantaardigen oorsprong; dat hoofdbestanddeelen daarvan waren galkleurstoffen en galzuren, waaronder het (op p. 10 reeds genoemde) lithofellinezuur (ongeveer 70—80 %); de rest bevatte als hoofdbestanddeel cellulose en een phenolachtige verbinding. Daar cholestearine — waaruit» zooals op p. 10 vermeld, de Oostersche en de Westersche bezoarsteenen grootendeels bestaan — volkomen ontbrak, werd geconcludeerd, dat deze bezoar vermoedelijk geen galsteen wasik )>'!''

Hier zij nog aan toegevoegd, dat een thail"f± 38,6 G.) dezer stof te Batavia, volgens Dr. Vbrcferman (t.a.p. blz. 599), ƒ 40 waard Was (n.1. in 1890).

Na te hebben medegedeeld, dat de strandbewoners ter Westkust van Borneo ze van de bergbewoners koopen, die beweren, dat ze in de maag van sommige apen „groeien", zegt Rumphius, dat er over het ontstaan dier apenbezoar's nog een ander merkwaardig verhaal in omloop is, dat als volgt luidt.

„De berglieden gaan op zekeren tijd uit en schieten deze apen met stompe pijlen of met spatten, die zij uit een roer blazen, die het dier slegts quetsen, maar niet dooden; nu heeft den aap die manier, dat hij een gaatje in 't lijf krijgende, hetzelve met krabben grooter maakt; daarna zoekt hij eenige medicinale kruiden, die hij in den mond kauwt en daarmede de gaten stopt, en waarover het vel toegroeit, waaruit dan mettertijd deze steenen groeijen, te weten uit de gekaude bladeren en het bloed dezes diers. Na verloop van eenige jaren gaan ze wederom in 't gebergte naar deselve plaats, daar ze tevooren den aap gequetst hebben, schieten hem met scherpe pijlen dood en betasten hem overal aan 't lijf, daar zij dan een bult vinden, snijden denzelven op en vinden den bezoar daarin."2)

Dat we hier niet met een eenvoudig los bericht te doen hebben, maar met een van geslacht op geslacht overgeleverd volksverhaal, blijkt wel hieruit, dat we het bijna anderhalve eeuw later terugvinden in een geheel ander deel van Borneo. In een opstel over de N.O.-kust van dat eiland, van de hand van Von Dewall, lezen wij

1) J. C. van Eerde: De samenstelling van bezoarsteenen. Bijdragen T. L. en Vk., dl. 82, 1926, p. 306 vg. 9) G. E. Rumphius t.a.p., blz. 301.

Sluiten