Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gemzensteenen -4r uit de ingewanden van Duitsche gemzen en steenbokken afkomstig j— waren langwerpig ronde, of ook kogelronde vormingen van de grootte van een hazelnoot tot die van een eendenei toe, uitwendig met een bruine, grauwe, of zwartgrauwe, lederachtige huid overtrokken, Inwendig bestonden zij uit bruine plantenvezels en zelf afgelikt en ingeslikt haar. In het midden bevond zich, evenals bij de andere bezoarsteenen, een stukje hout, steen of ander vreemd voorwerp, als oorzaak van de vorming van den steen. De dieren, die deze steenen leverden, zouden zich voornamelijk 'Voeden met den z.g. Schofpioenwortel (Doronicum, L.). zóó genoemd, omdat de wortels dezer plant de gedaante van schorpioenen vertoonen.1)

De minerale bezoarsteenen, waarvan verschillende soorten bekend waren, Waren alle kalkachtige verhardingen, onderscheiden van kleur en van vorm, al naar gelang van de omstandigheden, waaronder zij gevormd waren» Men betrok ze vooral uit de mijnen van Khorasan, uit Egypte en uit Sicilië. De laatste soort geleek; ff) compositie geheel op de concrementen van dierlijken oorsprong: binnenin bevond Zich een weinig zand, waaromheen de natuur laagsgewijze acht tot tien concentrische afzettingen had gevormd.

Hij wordt beschreven als rond of eivormig, ter grootte van een duiven- of hoenderei, wit of grijsachtig van kleur, meestal glad van oppervlak, maar nu en dan ook ruw met kleine uitsteeksels. 2)

De reeds geciteerde Arabische auteur Tifashi weet ons te vertellen, dat zulk een minerale bezoar vaak aan wapengrepen werd bevestigd, om hem in direct contact te brengen met de menschelijke huid, hetgeen het geval was, als men zulk een wapengevest in de hand nam. 3)

Volgens Mohammed Ben Mangoer, een Perzisch schrijver uit de 13e eeuw, werden uit den min of meer weeken steen ook allerlei decoratieve figuren (bijv. kleine afbeeldingen van den Schah, of

1) L. Winkler, t.a.p. blz. 34. Ook werden aan dezen Wortel giftwerende eigenschappen toegekend.. Lemery schrijft in zijn reeds gecit. „Woordenboek" ter zake (blz. 253 i.v. Doronicum): „Deze plant wast op de bergen in Zwitserland, dicht bij Geneve, in Duitschland, Provence, Languedok, van waer men ons de wortels gedroogt en van hunne vezelen gezuivert overbrengt. Zij zijn goed om 't vergift te weêrstaen, het hart te versterken, tegen de hartkloppingen, suizelingen, om de kwaedaertige vochten door de doorwaesseming te verdrijven."

2) Dr. G. F. Kunz, ,ta».p. blz. 2IJ//

3) M. Clément-Mullet, t.a.p. blz. 145 vg.

Sluiten