Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrouwenbeeldjes,! «3b) gesneden, die waarschijnlijk als amuletten dienst deden.1)

Ofschoon er geen direct verband bestaat tusschen de bezoarsteenen en de ruige, viltachtige,, z,g. aJbaarballeja!' fftfchobezoar's), die soms aangetroffen worden,» de maag van sommige dieren (ook wel van menschen), zoo is er toch in zóóver overeenkomst, dat de steenachtige concrementen, zooals we zagen, opgebouwd zijn rondom een of andere onverteerbare substantie, die het dier heeft ingeslikt, >terwijl de haarballen hun ontstaan te danken hebben aan het haar, dat zich in de maag verzamelt bij dieren, die de hebbelijkheid; hebben, zichzelf herhaaldelijk te likken. 2)

§ 8.

De waarde van den bezoarsteen hing samen met allerlei uitwendige eigenschappen, zooals vorm, kleur, grootte, soort, enz. Hun zeldzaamheid en de, fancyprijzen, die deze voorwerpen vaak opbrachten, werkten natuurlijk bij de handelaren namaak in de hand. Waar navraag naar het artikel bestond, was hun vindingrijkheid gewoonlijk groot genoeg, om door imitaties van het begeerde, met hun aanbod spoedig bij de hand te zijn. Zoo kwamen er allerlei producten aan de markt, die met de ware wonder-scheppingen der natuur niet anders dan den naam gemeen hadden.

De Oostersche bezoar werd wel nagemaakt van pijpaarde en ossengaï.*) „De Sinezen hebben noch een verdragelijker manier om te vervalschen, makende uit veele kleine een grooten op dusdanige wijze: de kleine stoten zë tot een fijn poeijer'en maken met water een fijn deeg, daarvan smeeren zij dan over een steen, eerst in de dikte van een mes, latende 't zelve t'elkens droogen eer zij het ander daarop smeeren en zoo voorts, tótdat het geheele deeg

*) Von Hammer: „Auszüge aus dem persischen Werke, Buch der Edelsteine, von Mohammed ben Manssur", in Fundgruben des Orients, dl. VI, 1818, p. 134, gecit. bij Dr. G. F. Kunz, t.a.p. blz. 211.

*) Dr. G. F. Kunz, t.a.p. blz. 220 vg., en de daar aangehaalde litteratuur. G. E. Rumphius vermeldt in zijn „Rariteitkamer" (p. 296), dat in zijn tijd soms wel 2, 3, of 4 van zulke haarballen (Pilae porcorum), omtrent een .vuist zoo groot, tegelijk werden aangetroffen in de magen van een kleine soort wilde varkens op het schiereiland Hoeamoeal (West-Ceram) die des nachts langs het zeestrand op mosselen plachten te azen en door de Europeanen daarom „Strandjutten" werden genoemd.

3) Dr. A. G. Vorderman, t.a.p. blz. 600.

Sluiten