Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbesigt is, opdat de steen mede schilfferig worde." 1)

De Dorthsche geneesheer Johan van Bevertvijck (1594—1647) gewaagt er van, dat sommige bedriegers zich niet ontzagen, om bij de chirurgijns en steensnijders blaas-, nier-, en galsteenen op te koopen, om ze als echte bezoarsteenen aan den man te brengen. Ook werd de bezoar, zegt hij, door sommigen „in schilfferen nagebacken." 2)

Een kunstmatig product was ook de Bezoar van Goa, een balletje, dat uit muskus, amber en zand bestond, door tragacantgom samengekit en met bladgoud belegd. „Deze is een gemaakte steen, door de Portugeezen te Goa, doch nu door geheel Indien vervoert wegens zijne goede krachten" — schreef Rumphius en hij somt er een dertigtal therapeutische deugden van op.3)

In West-Europa werd een dergelijke Goa-bezoar eertijds zuinig opgeborgen in een fraai opengewerkt, kogelvormig gouden doosje, waaraan zich een dito kettinkje bevond. Dit doosje, tijdens het bad om den hals gehangen, zou een vrouw onfeilbaar van haar steriliteit genezen. Deze gouden doosjes kwamen geheel overeen met de geurige z.g. pomambrae (amber-, of bisamappelen), die in vroegere eeuwen ten onzent tegen de pest werden gedragen. 4)

Om de echte bezoarsteenen van de kunstmatige te onderscheiden werden eertijds verschillende proefnemingen aanbevolen, waarvan er hieronder eenige worden vermeld.

1 °. Gloeiende-naaldproef. „Druk een heet gemaakte naald tegens den bezoar; is hij goed, zoo springen de schilfferen daar af. is hij valsch, zoo gaat de heete naald daar in en de steen smelt. Of breek eenige schilffertjes daar af en legt dezelve op een heet ijzerblek, de opregte springt in kleine stukjes en vervalt zonder rook, de valsche smelt met rook en een hersachtigen reuk". 5)

2°. Heet-waterproef. Dompel den steen in heet water; de echte steen blijft onveranderd, de valsche valt uiteen. 6)

1) G. E. Rumphius, t.a.p. blz. 302; vgl. nog J. B. Tavernier, t.a.p. dl. II, p. 406.

*) Johan v. Beverwijck: Alle de wercken, soo in de Medecijne als Chirurgije, Amsterdam Jan Jacobsz. Schipper, 1652, Schat der Ongesontheijt, p. 57. 3) G. E. Rumphius, t.a.p. bis. 338 vg. *) Dr. H. Peters, t.a.p., dl. II, p. 31 en 52.

B) G. E. Rumphius, t.a.p., Hz. 302; J. B. Tavernier, t.a.p. blz. 406; J. van Beverwijck, t.a.p. blz. 57.

6) S. Wells Williams, ta.p. blz. 149.

Sluiten