Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel op het derde boek daarvan, dat handelt „Van de Mineraliën, Gesteenten en andere zeldzaame zaaken."

„Het zoude niet in den geest van Rumphius. dia de waarheid boven alles lief had, gehandeld zijn" — zoo schreef Pro/. Wichmann in het aan hem gewijd Gedenkboek (1702—1902) — „wilden wij niet duidelijk doen uitkomen, dat hij als kind van zijn tijd, zich niet van alle vooroordeelen daarvan heeft weten los te maken, dat hij dingen zoo boven allen twijfel als vaststaande achtte,,die naderhand gebleken zijn, de toets der kritiek niet te kunnen doorstaan." Dat ook de ondervolgende, aan genoemd werk ontleende, gegevens naar dien maatstaf dienen te worden beoordeeld, spreekt wel vanzelf.

Wat Rumphius onder goeliga's (een tweetal) verstaat is reeds gezegd. Van de moestika's somt hij een aantal op, met uitvoerige beschrijving van hun voorkomen en hun vermeende bovennatuurlijke eigenschappen. Om niet te uitvoerig te worden zij hier volstaan, met slechts de voornaamste daarvan te noemen en nader te bezien.

§ 11.

1°. DE MENSCHEN-MOESTIKA (moestika manoesia).

Rumphius kwamen hiervan een tweetal voorwerpen onder de oogen. Het eene was, naar het zeggen van den verkooper, gevonden in het hart van een Javaansch geestelijke, die op Ternate gedood was. Er werd van verteld, dat het den drager in den oorlog fortuinlijk, listig, dapper „en anderer luiden voornemen ligt bekent maakt." Van het andere wordt niet vermeld, in welk deel van het menschelijk lichaam het gevonden was.

In navolging van Plinius, noemt R. deze in het hart aangetroffen concrementen Encardia humana. De z.g. Calculus humanus, dié in de middeleeuwen in Europa ook wel als substituut van den bezoar werd gebruikt, wordt, zooals reeds aangestipt, door R. niet tot de moestika's gerekend.

Een andere soort moestika's. die weieens in het vetweefsel van een mensch zou voorkomen, wordt door hem, alweer in navolging van Plinius, met den naam Steatites aangeduid. Wanneer ergens iemand rondliep, waarvan vermoed werd, dat bij hem zoo n gelukssteen aanwezig was, dan was hij gemeenlijk ook spoedig omhals gebracht. Hij wordt gedragen „om listig en verstandig te worden.*1 *J

Naar de reden, waarom zulk een „menschensteen" als een zeer 1) G. E. Rumphius, ta.p. blz. 293 vg.

Sluiten