Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewensckt voorwerp wordt beschouwd, behoeven we niet meer te raden. Zooals Dr. Kruyt ons heeft geleerd, wijzen allerlei geestelijke en lichamelijke eigenschappen, naar de natuurphilosophiè der nog animistisch denkende Indonesiërs, op het aanwezig zijn van veel „levenskracht". Deze levenskracht bevindt zich in het gansche lichaam, maar toch zijn er enkele lichaamsdeelen of organen, die in het bezit geacht worden van bijzonder veel levenskracht, zooals het hoofd, het hart (het bloed), de ingewanden. Soms concentreert zich die het leven gevende kracht in een moestika in het lichaam van mensch of dier. Zulk een voorwerp kan dan als krachtsbron ten eigen nutte worden aangewend, hetzij offensief door den bezitter onoverwinnelijk te maken tegenover zijn vijanden, hetzij defensief door hem te beschermen tegen allerlei schadelijke invloeden. Waar wij in overdrachtelijken zin van iemand, die veel geestkracht» energie bezit, wel zeggen „daar steekt pit in hem", daar meent bijv. een Toradja, maar dan in reëelea zin, dat in alles wat groot, sterk, dapper of hard is een moestika aanwezig moet zijn.1)

§ 12.

2°. DE MOESTIKA'S IN DEN KOP VAN SOMMIGE GROOTE EN STERKE DIÈRffJN.

Hiervan worden genoemd de tijgersteen (moestika matjan), de rhinoceros-steen (moestika badak), 2) de olifantssteen, en een steen uit de hersens van een wild rund van Wesr-Ceram. Alle dus kopsteenen van groote, sterke, agressieve dieren, dragers van veel levenskracht! Zoo wordt ook bijv. een buffel, die een mensch aanvalt, en derhalve een groote mate van dapperheid toont te bezitten, daardoor geacht rijk te zijn aan levenskracht en de Indonesiër verwacht niet anders dan een moestika in het lichaam van zulk een buffel te zullen vinden. 3)

*) Dr. A. C. Kruyt, t.a.p., blz. 202 vg.

s) Nbt vertelt over een steen, die In den kop van een rhinoceros gevonden zou zijn en die hem te ladrapoera (Padangsche Benedenlandea) werd getoond. Deze steen was relatief licht, zeer hard en donker van kleur, maar tegen het licht gehouden doorschijnend. Volgens opgave v. d. bezitter was hij een universeel geneesmiddel bij vergiftiging, of bloedspuwing behoefde men hem slechts in den mond te nemen en het speeksel in te slikken; bij kwetsingen of brandwonden was het voldoende met den steen daarover te wrijven; 1*1} den beet van een of ander vergiftig dier legde men hem op de wond en zij genas enz. (Tijdschr. Bat. Gen. dl 5, 1856, p. 15IJi. ,

*) Dr. A. C Kruyt, t.a.p. blz. 202.

Sluiten