Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit sympathie geloof kan, voor wat den rhinoceros-hoorn betreft, nog steun vinden in het op waarneming berustende feit, dat die hoorn, door de verschillende daarin voorkomende haarbuisjes, een zekere absorbeerende activiteit vertoont, als hij met vocht, dus ook met vergiftigd bloed, in aanraking komt.

3°. DE SLANGENSTEEN (moestika oelar).

Het geloof aan de genezende kracht van den slangensteen — zoo genoemd omdat hij volgens de volksphantasie in den kop van een slang zou worden aangetroffen — gaat, evenals dat in den bezoar en in den hoorn van den rhinoceros, tot de dagen van Olim terug. De algemeene opvatting is, dat wanneer zulk een steen op een vergiftigde wond wordt gelegd, hij het venijn daaruit naar zich toetrekt, als de magneet het ijzer.

Reeds in Plinius' „Historia naturalis" — een bron waarin, hij zooveel phantastisch volksgeloof van zijn tijd heeft verzameld — wordt de slangekop als een remedium tegen slangebeet genoemd, evenals de versteende kop van de sam/roec/a-slang nu nog als zoodanig geldt bij de Niassers.1)

Rumphius geelt de volgende beschrijving van den fameuzen slangensteen van CeÜon (Ophitis Selonica), die volgens de overlevering uit den kop van een cobra, dus van een brilslang, 2) afkomstig zou zijn.

„Het zijn goede steenen tegen de steeken en beeten van alllerhande venijnige dieren geprobeert, als ze maar van d' opregte zijn; waarvan men voor een vaste proeve houd, als ze in een glas met water gelegt een straal opgeven en eenige bullekens opwerpen, of als men ze tegen het gehemelte des monts drukt, daaraan zoo vast kleeven, dat men ze qualijk aftrekken kan. Zommige zijn platrond, in de midden dikst, rontom met scherpe kanten als een linze, in de

!) Dr. A. C. Kruyt, ta.p., blz. 132.

*) De Cobra is de bekende zeer vergiftige reuzenbrilslang (Naja bungarus) v. h. vaste land v. Indië en Ceilon, waaraan de gewone of Javaansche brilslang (Na^a tripudians) nauw verwant is. De brilslang heet ook wel „hoedslang" (IV. Serpent au chaperon. Port. Cobra capello, v. coèra = Lat. colubra, slang en capello, hoed, kap, monnikskap), welken naam dit dier daaraan te danken heeft, dat het in geïrriteerden toestand den hals, door opzetting v. & halsribben zijdelings, tot een rekbaren „hoed" verbreedt. Bij de Indische Cobra vertoont zich dan achter op dien „hoed" een typische brilteekening, waaraan de naam brilslang is ontleend.

Sluiten