Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

midden met een wit oog... Zommige zijn langwerpig en niet groter dan een nagel of als een Roomsche boon, meest zwart en blinkende met een klein wit plekje aan d' eene zijde."

„Men legt ze slegts op den steek of beet van eenig venijnig dier, eerst de wonden een weinig prikkelende, dat er wat bloets uitkome, en dan moet de steen zoo vast daar aan kleven, dat men hem niet aftrekken kan, maar als hij zijne werkinge gedaan heeft, zoo valt hij van zelfs af, gelijk een bloetzuiger. Zomtijds gebeurt het, dat hij door al te sterk zuigen in stukken valt, dan moet men met eenen anderen steen gereet zijn om dien daar op te leggen. Den van zelfs afgevallen steen moet men in koemelk of in het zog van eene vrouw leggen, daarin hij dan zijn vergift weder aflegt, zoodat de melk blauwachtig daarvan word."

„Daarna wascht en droogt men hem weder af, en bewaart hem in een digt doosje tusschen katoen, want ik hebbe gemerkt, dat deze steen nauw bewaart wil zijn, anders verliest hij zijn krachten."

Ter illustratie van het voorafgaande vermeldt R. nu nog het volgend voorval.

Een slaaf van den Bataviaschen geneesheer Dr. Andreas Cleyer verwondde ziek den vinger bij het schoonmaken van het cadaver van een groote slaag, waarvan die arts het skelet wilde bewaren. Aanstonds zwol de geheele arm op en er vertoonden zich verschijnselen van koorts en duizeligheid, maar door het opleggen van een Ceiloneeschen slangensteen verdwenen die symptomen en de man genas. „Maar doe was men verlegen om wat melk te krijgen, daar in men den steen weder uitwasschen zoude; doch een zoogende vrouw bij geval daar bij staande leide den steen in een kopje, hieldt haar borsten daar over, en spuite genoegzaam melk op den zeiven, dewelke daar van blauwachtig en de steen weder zuiver wierde; doch de warme melk op den vergiftigen steen gespuit werkte zoodanig op de borst, dat die daar van gansch ontsteeken wierde, en men moeite hadde om die weder te herstellen." 1)

Verder deelt dezelfde auteur nog een en ander mede van „de gemaakte slangesteen", die vooral op Ceüon, de Kust van Koromandel en Malabar bekend was, en die bereid zou zijn uit bepaalde

*) G. E. Rumphius t.a.p., blz. 303—305. Uit de laatste regels van dit citaat blijkt, dat een sympathetische betrekking wordt aangenomen tusschen de borst en de daaruit afkomstige melk. Dit denkbeeld v. e. geheimzinnige relatie tusschen dingen, die éénmaal met elkaar In contact zijn geweest, vindt men, gelijk bekend, in allerlei uitingsvormen bij nog magisch denkende volken terug.

Sluiten