Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rumphius onderscheidt verschillende soorten van slangensteenen, afkomstig van in onze Oost inheemsche slangensoorten, welke steenen alle ongeveer dezelfde eigenschappen hebben als de Ceilonsche slangensteen. We hebben indertijd een aantal teksten, betrekking hebbende op slangensteenen in en buiten Ned.-Indië bijeengebracht. 1) Het zou overbodig zijn, die hier te herhalen. Uit die gegevens kan voldoende gebleken zijn, dat de slangensteenen, zooals Rumphius het uitdrukt, „niet zijn eenderhande, maar van verscheide substantie, koleur en gedaante, komen ook van verscheide slangen."

Het geloof aan de geneeskracht van den slangensteen is zoowel in ons — als in Engelsch~Indië nog actueel. 2) En dat het in ons werelddeel nog niet is uitgestorven, blijkt hieruit, dat nu nog hier en daar in Engeland en Schotland een z.g. „adderstone" als volksmiddel tegen den beet van adders wordt aanbevolen. 8)

Verder zij er nog op gewezen, dat zoowel op het vasteland van Indië *) als in den Indischen Archipel een aantal verhalen in omloop

1) Volksheelkunde in den Ind.-Archipel, Bijdragen T. L. en Vk., dl. 70, 1915, p. .1 vg. Vgl. over slangensteenen nog de sedert verschenen, reeds gecit. werken van Dr. Kunz (1915), Dr. Van Andel (1928), Dr. Seligmann (1927) en de daar opgegeven litteratuur. Uitvoerige litt opgaven vindt men nog in Yule and Burnell: Hobson-Jobson's Glossary, 1903, i.v. „Snakestone', en bij J. G. Frazer, The Golden Bough, Part. VII (Balder the beautiful), dl. I, p. 15 vg., en dl, n, p. 311.

*) Zie voor Britsch-Indië o.a.: S. J. Thomson, The real Indian people, 1914, p. 61 vg.; W. Crooke, The popular religion and folklore of Northern India, dl. II, 1896, p. 141 vg. en 224. De laatste vermeldt nog een overlevering, volgens welke in de kropachtige aanhangselen v. d. maraboe (Leptoptilos Argala) soms de gifttand v. e. slang wordt aangetroffen, welk voorwerp dezelfde deugden als een slangensteen zou bezitten.

s) Dr. M. A. van Andel, ta.p. blz. 167, Dr. G. F. Kunz ta.p. blz. 227 vg„ Dr. ]. G. Frazer t.a.p. dl. I, p. 15 vg.

*) The snake, like the „toad ugly and venomous", wears on his head the Marti or precious jewel, which is a stock subject in Indian folk-tales (W. Crooke, t.a.p., dl. II, 1896, p. 143). Zoo wordt in een Indisch verhaal gewag gemaakt van zekeren koning Nal&, die op reis des nachts in een bosch een brandend houtvuur meende te zién. Naderbij gekomen bleek hem echter, dat het licht, hetwelk hij zag, straalde uit een edelsteen, dien een zich daar bevindende slang (met name Karkotaka) op den kop droeg (C. H. Tawney, Katha Sarit Sagara, dl. I, 1880, p. 564 vg.). Volgens een andere Indische legende dragen de Cobra's in hun muil een kostbaren steen (Naja Kalloe), die in het donker licht afstraalt. Bij het aanbreken van den nacht legt de slang den steen in het gras en bewaakt hem nauwlettend. Zij is nooit gevaarlijker als tijdens deze bewaking, en als het iemand gelukken mocht haar dien steen te ontfutselen, dan beneemt ze zichzelf het leven (Dr. S. Seligmann, t.a.p., blz. 226).

Sluiten