Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn over slangen, die een sterk licht uitstralenden edelsteen op (of in) den kop met zich meedragen.

Schrijvende over de bewoners van de Talaud-eilanden (be* N. Celebes) geeft de Oost-Indische predikant Frangois Valentijn — de jongere tijdgenoot van Rumphius — het volgende relaas.

„Ook weten zij zeer veel van een oelar,of „karbonkel-slang" (die zij zeggen, dat een karbonkel in zijn hoofd draagt, en altijd een uitmuntent groot en zeer kennelijk licht van zig geeft) te spreken, die zij voorgeven almede van daar op een naburig eilandje vooral bij nagt, gezien te hebben; dog waarschijnlijk, zal het op eenige toortzen of vuuren, van deze of gene Inlanders in 't bosch uitkomen. Met een woord moet ik hier egter bijvoegen, dat ik zeker verstandig Inlander in die Oostelijke gewesten, dien ik 't zo wel als mij zeiven toevertrouw, heb hooren zeggen, dat hij zulken karbonkel, in 't hoofd van zulk een slang gevonden, bij een van zijn vrienden in Amboinm, toen nog levende, gezien, en klaar ondervonden heeft, dat deze steen in een donker vertrek een zeer groot licht van zich gaf... Deze steen zou, na zijn zeggen, wel de groote van een klein hoenderei en een donkere gedaante, na den zwarten trekkende, toen hij dien zag, gehad hebben, hetgeen hij mij verzekerde zeer wel gezien te hebben, daar bij voegende, dat zij ook ovaal rond was." 1)

In een Toradjasch verhaal is het de Pajowi-slang, die een edelgesteente op den kop draagt2), en in een Sangireesche overlevering wordt iets dergelijks verteld. 3)

Soms wordt uitdrukkelijk geconstateerd, dat de brilslang bedoeld wordt. Van het Maleische Schiereiland heet het bijv.: „The cobra (ular tedong) is said to have a bright stone (kemala, or gemala) in its head, the radiance of which causes its head to be visible on the darkest night."4)

*■) F. Valentijn, Oud en nieuw Oost-Indiën, dl. I, 1724, p. 37.

2) Dr. N. Adriani in Bijdragen T. L. en Vk., dl. 54, 1902, p. 210.

3) Dezelfde in hetzelfde tijdschr. dl. 44, 1894, p. 33.

4) W. W. Skeat, Malay Magie, 1900, p. 303. De koemala, of komala (Minangk. goemalo, Jav. koemöli, Atj. keumala. Bat. hoemala, enz.) geldt overal in den Archipel als een zeer schitterende wonderkrachtige steen, voorkomende in, of op den kop van een slang (zie de diverse wdbkn.). H. von de Wall geeft in zijn Mal. Ned. Wdbk. i. v. koemala: denkbeeldig edelgesteente, dat sommige dieren, voorn, slangen en duizendpooten verondersteld worden in den kop te hebben of in den mond te dragen, in welk laatste geval zij hem soms naast zich nederleggen; zoodanige steen verspreidt in het donker een helderen

Sluiten