Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aussitost si elle n'est point falsifiée 1'eau se met a bouïllonner, de petites vessies montant depuis la pierre qui est au fond jusques au dessus du 1'eau." 1)

Langen tijd heeft men zich afgepeinsd met de vraag, wat voor vreemde dingen die slangensteenen toch wel konden zijn, totdat Dr. Kunz in 1915 met de mededeeling kwam, dat hij het raadsel waarschijnlijk tot een oplossing had gebracht. Hij schrijft: „Up to the present time no one has apparendy identified what Tavernier referred to in speaking of snake-stones. It however occured to the writer, after receiving a quantity of tabasheer from Dr. F. H. Mallet of the Geological Survey of India, who obtained it at the bazaar of the Calcutta Fair in November of 1888, that many, if not most, of the Hindu snake-stones must have been tabasheer." 2)

Ten einde deze mededeeling op haar juiste waarde te kunnen schatten, is het noodzakelijk van de samenstelling en de physische eigenschappen van laatstbedoelde merkwaardige stof een juiste voorstelling te hebben.

Onder tabaschir3) verstaat men steenachtige afscheidingen van

1) J. B. Tavenier, ta.p. dL II, 1678. p. 411.

2) Dr. G. F. Kunz, t.a.p. blz. 233.

3) Tabaschic, v.h. Pers. tabashir, is een verbastering v. h. Skr. tvak-kshira. bamboemanna (Yule and Burnell: Hobson-Jobson's Glossary i.v. tabasheer). Het genoot in het Oosten, van onheuglijke tijden af, een groote reputatie als artsenij en komt reeds voor bij Avicenna (Ibn Sina 980—1037), den beroemdsten der Arabische geneeskundigen, die echter niet juist was ingelicht omtrent den oorsprong) van dit middel, waardoor hij een onjuist oordeel schiep, dat verscheidene eeuwen heeft bestaan. Gerardus van Cremona, die in de 12e eeuw het Arabische werk v. Avicenna in het Latijn vertaalde, werd daardoor verleid, het Indische tabaschir te identificeeren met het spodos der Grieken, of de Arabische roerïa, welk geneesmiddel werd verkregen door het verbranden v. d. wortels v. e. Lawsonia. Deze vergissing werd gecorrigeerd door Garcia da Orta (ta.p., dl. H, p. 302 vg.). Bijna alle schrijvers uit den tijd vóór Linnaeus (1707—1778), die het over tabaschir hebben, reproduceerden, wat we in Garcia's boek aantreffen (zie voor het voorgaande E. Huth in „Nature", dL 36, 1887, p. 29 vg.). In 1828 publiceerde D. Brewster een verhandeling over „The natural history and properties of Tabersheer" in het Edinburg Journal of Science, dL 8, p. 288 vg., terwijl in 1855 de onderzoekingen v. Guibourt omtrent het tabaschir werden openbaar gemaakt in het Journal de Pharmacies, dL 27, pp. 81, 161, 252. In 1857 volgde het resultaat der onderzoekingen v. „De tabaschir van Java door D. W. Rost van Tonningen in het Natuurk. Tijdschr. v. Ned. Indië, dl. 13, p. 391 vg., waarna in 1864 in hetzelfde Ujdschr., dB. 26, p. 4Ö0 vg. een opstel verscheen v. S. A. Bleekrode over tabaschir van Palembang. In 1889 gaf Dr. A. G. Vorderman eenige aanvullingen op de beide

Sluiten