Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kiezelzuur (vermengd met sporen van water, potasch, kalk en organische stof) in de geledingen van oude bamboehalmen, — volgens Brewster alleen in die geledingen, welke ziekelijk aangedaan of gekwetst zijn. Hollandsche namen daarvoor zijn: „bamboekamfer", ,,bamboeivoor". De Inlanders spreken van kapoer bamboe, en singkara.

De bamboe's, welke het tabaschir voortbrengen, bevatten gewoonlijk een vloeistof, die helder, doorzichtig en kleurloos, maar somtijds wit en djk is, van de consistentie van honig. Een enkele maal gaat het dikke vocht over in een vasten toestand en vormt dan het tabaschir, Henry Cecil merkt over het fafeasc/u'r-verschijnsel het volgende op. Onder normale omstandigheden zorgt de natuur, dat er steeds voldoende vocht met kiezelzuur aanwezig is voor de volgende geleding. Is nu door een of andere onregelmatigheid in den groei de nieuwe geleding korter of nauwer dan oorspronkelijk bedoeld is, dan blijft het onbenutte kiezelzuur achter als een sediment, als een opgedroogd residu uit het aanwezige vocht1)

Het is niet gemakkelijk uit te maken, of we hier met een plantaardige, dan wel met een minerale stof te maken hebben. Zoowel wat samenstelling als eigenschappen betreft komt tabaschir geheel overeen met opaal en hydrophaan (d.i. edel-opaal, „wereldoog", Oculus mundi), met dien verstande, dat tabaschir onder abnormale omstandigheden wordt afgezet. 2)

Het op Batavia verkrijgbare tabaschir ia grootendeels uit Bantam en de Preanger, of wel uit Benkoelen en Palembang afkomstig. Naar gelang dit product op Java, dan wel op Sumatra is gewonnen, heeft het een verschillend voorkomen.

Het Javaansche bestaat uit hoekige of afgeronde stukjes van onregelmatigen vorm, gemiddeld ter grootte van een erwt, doch zij zijn soms gemengd met grootere fragmenten. De stukken breken

laatstbedoelde opstellen in dl. 29, p. 631 vg. van het Geneesk. Tijdschr. voor Ned. Indië. Het Engelsche geïll. wetensch. weekbl. „Nature", dl. 35, 1886787 bevat belangrijke gegevens over tabaschir v. W. T. Thiselton Dyer en J. W. Judd („The relation of tabasheer to mineral substances")," waaraan Henry Cecil, Tokutaro Ito en Thomas Rowney zakelijke mededeelingen hebben toegevoegd. Zie verder over geschiedenis, naam, eigenschappen, enz. v. tabaschir uitvoerig Dr. E. Huth: „Der Tabixir in seiner Bedeutung tor die Botanik, Mineralogie, und Physik", X Sammlung Naturwissenschaftlicher Vortrage, Berlin, 1887, en E. v. Lippmann In zijn Geschichte des Zuckers, p. 76 vg.

*) „Nature", <fl. 35, 1886/87, p. 437.

2) Prof. J. W. Judd in id. p. 488 vg.

Sluiten