Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roest of Castanje-bruin, doch glad... Zij worden in groote achting gehouden, om volgens haar bijgeloof aan 't lijf te dragen, zo alleen als met andere mesticas gemengt, om gelukkig en onquetsbaar ten Oorlog te zijn." 1)

De moestika gandoe (SRr Parrangites) komt uit de vruchten van een reusachtigè liaan, door R. beschreven onder den naam van Faba marina, met zeer groote peulen (de z.g. „Zeeboonen"), welke een aantal platte, ronde boonen bevatten. De moestika heelt ongeveer dezelfde gedaante als zulk een boon „zijnde verandert in een harden steen." Men vat zulk een steen in een koperen bandje en draagt hem dan aan het lichaam nevens andere moestika's, om fortuinlijk te zijn in den oorlog. 2)

„De korrels (lees: zaden), die men in het vleesch^Van de vrucht nanka of soorsatk (lees: nangka blanda, of zuurzak) vindt, versteenen ook zomtijds, welke steenen (moestika nangka, R: N*n~ cites) kleinder zijn dan de korrels zelf, doch van het zelfde fatzoen, te weten als een langwerpig eitje, hard, glad, bleekgeel, of immers witter dan de korrel. Men vind ze zelden, en hoewel de vrucht over de 100 korrels heeft, nochtans maar één verandert in eenen Steen, dewelke ook van ongelijke grootte zijn, in 't gemeen een lid van een vinger lang, zommige langwerpig rond/ïzommige wat plat gedrukt. Zij worden bij de Makkassaren met vier zilvere bandjes ingevat en aan hunne krissen gedragen."

Voorts worden vermeld de moestika's „in de houwen van tamarinde", „in de vruchten van tjermai", en „in de kniën van 't kruid selasih." De moestika pisang (R: Pisangites) zijn kleine vuilwitte steentjes, die weieens in sommige pisang-vruchten voorkomen. 8)

Enkele steenachtige vormingen zouden ook „in hout groeijende" worden aangetroffen en daarom moestika kajoe (R: Dendrites arborea) worden genoemd. Volgens R. worden zij ten onrechte tot de moestika's gerekend, daar ze niet door de natuur gevormd, maar door toevallige omstandigheden daarin gekomen zijn „en in "tgroeijen daarin gesloten worden, dewelke men daaraan bekennen kan, als zij de substantie en koleur van natuurlijke en bekende steenen hebben." Dit geldt bijv. van een ronden zwarten steen, gevonden in

1) G. E. Rumphius, ta.p., blz. 324; Dezelfde: Herbarium Aboinense, dl. II, p. 259 vg., PI. 86 geeft een afb. van een tweetal dezer moestika's,

2) G. E. Rumphius, ta.p. blz. 325; Dezelfde: Herbarium Amboinense, dl. V, p. 5 vg.

3) G. B. Rumphiur ta.p., blz. 324, 326.

Sluiten